home
RSS feeds
Nieuws
Actuele informatie en artikelen over suiker en suikergerelateerde onderwerpen.

“Een schepje meer…, of minder?”

18 april 2011



Hoe diëtisten denken over suiker en wat men daarvan terugziet in een feitelijk voedingsadvies.

Uit een afstudeeronderzoek van Leonie Kohl van Wageningen Universiteit blijkt dat circa 80% van de diëtisten de Richtlijnen Goede Voeding van de Gezondheidsraad belangrijk vindt bij hun advisering over suiker. Toch geeft een groot deel van de ondervraagde diëtisten aan min of meer ‘naar eigen smaak’ te adviseren, onder meer afhankelijk van de individuele cliënt en onder invloed van zijn of haar specialisatie in het vakgebied.

Diëtisten en suiker
Leonie Kohl, studente van Wageningen Universiteit heeft voor haar afstudeerproject onderzoek gedaan naar opvattingen van Nederlandse diëtisten over suiker. Haar onderzoek bestond naast literatuuronderzoek ook uit interviews met diëtisten; dit betrof onder andere face-to-face, open vraaggesprekken (n=10), en online ingevulde vragenlijsten (n=356)¹.

Feiten over meningen
De wetenschappelijke en maatschappelijke opvattingen over de betekenis van suiker voor de gezondheid van de mens zijn aan grote schommelingen onderhevig. De laatste jaren krijgt suiker in het publieke debat (‘uitgevochten’ in verschillende media) nogal eens ongefundeerde kritiek ten aanzien van zijn betekenis voor de gezondheid.

Ook in de wetenschappelijke literatuur zijn er regelmatig discussies gaande over de betekenis van suiker voor overgewicht, diabetes type II, hart- en vaatziekten, metabool syndroom e.a.

Een interessante vraag is dan ook in hoeverre maatschappelijke en wetenschappelijke discussies ten aanzien van suiker van invloed zijn op de meningen van diëtisten c.q. op hun feitelijke voedingsadvies. Een weerslag van de bevindingen uit het onderzoek van Leonie Kohl vindt u in deze samenvatting.

Beroepsfocus
Het is vooralsnog niet kristalhelder hoe Nederlandse diëtisten hun positie bepalen wat betreft hun perspectief ten aanzien van suiker. Volgen zij de feitelijke, wetenschappelijke lijn, of volgen zij één van de in onze maatschappij gangbare meningen? En hoe verpakken zij hun opvatting, in het contact met hun clientèle, vervolgens in een feitelijk voedingsadvies?

Wat betreft de houding ten opzichte van suiker, is ten aanzien van de deelnemende diëtisten (53% zelfstandig gevestigd/47% in dienstverband organisatie of instelling) een onderverdeling in beroepsfocus gemaakt, te weten: reguliere (80%), sport (7%) en orthomoleculair/natuur (12%) diëtisten. Deze drie specialisaties verschilden, zoals te verwachten, in hun houding ten aanzien van suiker. Met name bij de groep orthomoleculair/natuur, werden meer negatieve attitudes ten aanzien van suiker gemeten, dan bij de andere specialisaties. Suikerconsumptie wordt door deze laatstgenoemde specialisatie nogal eens in relatie gebracht met vermeende gezondheidsrisico’s.

Associaties rondom suiker
Gevraagd naar hun associaties met suiker kregen alle ondervraagden zeven termen voorgelegd, te weten: zoet, energie, vergif, lekker, lege calorieën, nutriënt, dikmakend en gezond. Zoet en energie leverden allebei goede associaties op; gezond en vergif de minste associaties. Interessant om te zien was dat de op zich neutrale associatie nutriënt was opgebouwd uit de meest uiteenlopende waarden; kennelijk roept deze associatie zowel weerstand als bijval op – terwijl suiker zich wetenschappelijk gezien onder de nutriënten kan scharen .




Wetenschappelijk houvast
Over het algemeen zijn diëtisten bereid de wetenschappelijke feiten over suiker, zoals vastgelegd in de Richtlijnen goede voeding (2006)² als leidraad te nemen bij hun eigen adviezen. Die bereidheid wat betreft de Richtlijnen goede voeding is aanwezig bij 79,9% van de ondervraagde diëtisten; een overige 10% vindt het belangrijk noch onbelangrijk, en de rest vindt het in verschillende mate onbelangrijk (10,1%). Overigens wordt in de diëtistengroep orthomoleculair/natuur de bereidheid om de Richtlijnen goede voeding als basis voor een voedingsadvies te nemen, vaker redelijk onbelangrijk gevonden dan binnen de andere diëtistenspecialisaties, waar het juist vaker redelijk belangrijk wordt gevonden.

In een sterk vereenvoudigde versie komen de Richtlijnen goede voeding 2006 op het volgende neer:

Zorg voor een gevarieerde voeding;
Zorg dagelijks voor voldoende lichaamsbeweging (minimaal een half uur matige inspanning, bij voorkeur op alle dagen maar tenminste op vijf dagen per week);
Gebruik dagelijks een ruime hoeveelheid groente (150-200 gram, 5 groentelepels) en fruit (200 gram, 2 stuks)
Kies voor volkoren graanproducten;
Eet regelmatig vis (twee maal per week waarvan tenminste eenmaal vette vis);
Gebruik zo weinig mogelijk producten met een hoog gehalte aan verzadigde vetzuren en enkelvoudig trans-onverzadigde vetzuren;
Beperk de frequentie van het gebruik van voedingsmiddelen en dranken met gemakkelijk vergistbare suikers en dranken met een hoog gehalte aan voedingszuren (max. zeven eet- en/of drinkmomenten, incl. drie hoofdmaaltijden);
Beperk de inname van keukenzout (minder dan zes gram per dag);
Wees matig met alcohol (mannen hooguit twee glazen, vrouwen hooguit een glas per dag).

Voor wie kampt met een te hoog lichaamsgewicht of een ongewenste toename van lichaamsgewicht gelden de volgende aanvullende richtlijnen:

Verhoog de lichamelijke activiteit van minimaal een half uur tot ten minste een uur matig inspannende activiteit per dag;
  Verminder de energie-inname, in het bijzonder door een beperking van:
het gebruik van producten met een hoge energie-dichtheid;
het gebruik van dranken die suikers bevatten;
de portiegrootte.

 
Lees meer over de Richtlijnen goede voeding »

Persoonlijke opvatting
Bovenstaande bereidheid om de wetenschap als basis te nemen bestaat dus wel, maar lijkt niet bindend. Uit het onderzoek van Leonie Kohl, blijkt dat diëtisten adviseren om minder suiker te gebruiken aan cliënten met overgewicht en obesitas (slechts ca. 51%), metabool syndroom en diabetes II (slechts ca. 40%).

Daarbij blijkt uit het onderzoek dat diëtisten er volgens Leonie Kohl eerder voor kiezen om de algemene strategie ‘calorieën reduceren in het bestaande dieet’ te volgen, dan dat zij specifiek suikerbeperking of gebruik van kunstmatige zoetstoffen en lightproducten adviseren (‘soms’ op de schaal van ‘nooit’ tot ‘altijd’). Overigens worden suikerhoudende frisdranken vaker, en ook sterker, afgeraden dan vruchtensappen (‘vaak’ op de schaal van ‘nooit’ tot ‘altijd’).

Over het algemeen
Ten aanzien van gewichtsverlies zijn alle ondervraagde diëtisten het erover eens dat caloriebeperking nodig is. De calorie-beperking kan ten aanzien van suiker aanbevolen worden, maar evengoed ten aanzien van andere macronutriënten.

Een verklaring voor het verschil tussen de wetenschappelijke basis over suiker en ‘eigen’ opvattingen over suiker als uitgangspunt voor dieetadvies, valt volgens het onderzoek van Leonie Kohl te vinden in het feit dat diëtisten over het algemeen van mening zijn dat suikergebruik en het effect ervan op de gezondheid in de eerste plaats persoonsgebonden is. Aldus vindt men dat een voedingsadvies ten aanzien van suiker maatwerk zou moeten zijn, afgestemd op de persoonlijke gezondheidssituatie van de cliënt. Ofwel, dat een-en-dezelfde diëtist de ene cliënt zou kunnen adviseren om een schepje minder suiker te nemen, terwijl een andere cliënt gerust mag blijven genieten van een schepje meer…


Voetnoten
  1. Attitudes and Advices of Dutch Dieticians with Respect to Sugar Consumption of Their Patients, Leonie Kohl BSc.
  2. Richtlijnen goede voeding, Gezondheidsraad 2006, pag. 85. NB In de Richtlijnen Goede Voeding 2006 wordt geen maximum waarde voor de hoeveelheid mono- en disachariden in de voeding opgesteld. Voor het geven van een kwantitatieve richtlijn voor mono- en disachariden ten behoeve van een adequate voorziening met essentiële voedingsstoffen en de preventie van chronische ziekten ontbreekt volgens de commissie een aanvaardbare wetenschappelijke onderbouwing. Mensen met overgewicht dienen het gebruik van dranken die suikers bevatten te beperken in het kader van beperking van de algehele energie-inname.