home
RSS feeds
Nieuws
Actuele informatie en artikelen over suiker en suikergerelateerde onderwerpen.

Verband tussen suiker en pancreaskanker te voorbarig

11 november 2006 | voor u gelezen en onderzocht

In een recent artikel van Zweedse onderzoekers
(Larsson et al., 2006) wordt consumptie van voedingsmiddelen waaraan suiker is toegevoegd, in verband gebracht met een verhoogd risico op het ontstaan van pancreaskanker. Het verband is vastgesteld in een prospectief bevolkingsonderzoek bij 77797 vrouwen en mannen in de leeftijd van 45-83 jaar, die gedurende 7,2 jaar zijn gevolgd. In die periode werden 131 gevallen van pancreaskanker vastgesteld. In de categorie van personen met de hoogste consumptie van respectievelijk toegevoegde suiker (aan koffie, thee, graanproducten etc), van frisdrank en van suiker toegevoegd aan vruchtensap, was het risico op pancreaskanker 1,69, 1,93 en 1,5 maal zo hoog als in de corresponderende categorieën met de laagste consumptienivaus. De consumptie van toegevoegde suiker en frisdrank werd geschat door middel van een voedselfrequentie-vragenlijst. De genoemde risico’s, zogenaamde hazard ratio’s, zijn gecorrigeerd voor onder meer leeftijd, geslacht, rookgewoonten, BMI, opleidingsniveau, energie-inname en alcoholgebruik.
De onderzoekers verklaren hun resultaten met de veronderstelling dat frequente consumptie van suiker de bloedglucose spiegel verhoogt, de insulineproductie stimuleert, insuline resistentie in de hand werkt en daardoor leidt tot proliferatie van de eilandjes van Langerhans en een verhoogd risico op pancreaskanker.

In hoeverre zijn deze resultaten bepalend voor de relatie tussen suikerinname en gezondheid?

Op de eerste plaats moet worden benadrukt dat in observationeel onderzoek, zoals het bovengenoemde, niet kan worden vastgesteld of sprake is van causale relaties. Altijd bestaat de kans op zogenaamde ‘confounding’. Dat wil zeggen dat de gevonden relaties worden verklaard door een factor (of meerdere factoren) die op een of andere wijze geassocieerd is (of zijn) met gebruik van suiker of frisdrank, maar die niet in het onderzoek is betrokken.

Op de tweede plaats moet ernstig worden getwijfeld aan de validiteit van de gegevens die door de voedselfrequentie-vragenlijst zijn verkregen. De onderzoekers geven aan dat ze geen onderscheid hebben gemaakt tussen frisdrank die is gezoet met kunstmatige zoetstoffen en frisdrank waaraan suiker is toegevoegd. Ook melden ze dat de resultaten van hun voedselvragenlijst, in een validatiestudie bij een subgroep van het cohort, correleren met die van een meer betrouwbare opschrijfmethode. Echter, de gevonden correlaties blijken zodanig dat slechts respectievelijk 49-, 36- en 25% van de variatie tussen personen in consumptie van toegevoegde suiker, frisdrank en gezoet vruchtensap, zoals bepaald met de opschrijfmethode, kan worden verklaard met de resultaten van de voedselfrequentie-vragenlijst. Men kan dus gerust aannemen dat behoorlijke misclassificatie in het onderzoek heeft plaatsgevonden.
Dit houdt in dat vele personen terecht zijn gekomen in categorieën, waarin ze niet thuis horen.

Ten derde kloppen de resultaten niet met de hypothese die aan het onderzoek ten grondslag ligt. Dat kan als volgt worden uitgelegd. Insulineresistentie gaat veelal gepaard met overgewicht en gebrek aan lichamelijke activiteit. De onderzoekers hebben inderdaad eerder gevonden in dezelfde onderzoeksgroep dat bij personen met obesitas of diabetes mellitus het risico op pancreaskanker met een factor 1,8-1,9 is verhoogd, in vergelijking met personen met een normaal gewicht of zonder diabetes. Indien de hypothese, die aan het huidige onderzoek ten grondslag ligt, juist is, had mogen worden verwacht dat correctie voor BMI, zou leiden tot een daling van de hazard ratio’s.
Dat bleek geenszins het geval. Consumptie van toegevoegde suiker en van frisdrank bleek in het onderzoek dan ook niet geassocieerd te zijn met de BMI.

Ten vierde blijkt bij een nadere inspectie van de resultaten, dat alleen in de hoogste consumptiecategorieën sprake is van een toename van de hazard ratio’s. Van een duidelijk oplopend risico over vier consumptie categorieën is geen sprake.

En ten vijfde wordt door de onderzoekers zelf vermeld dat in twee andere prospectieve studies en in een zogenaamde ‘case-control’ studie geen verband kon worden vastgesteld tussen de inname van suiker en het risico op pancreaskanker. Ook noemen ze een prospectieve studie, waarin bij rokers zelfs een negatief verband werd gevonden tussen de inname van eenvoudige koolhydraten en pancreaskanker.

Ten slotte kan worden gesteld dat er geen wetenschappelijk bewijs is dat het gebruik van eenvoudige koolhydraten (tot niet meer dan 25% van de totale inname van energie) het risico op insulineresistentie en diabetes type 2 verhoogt. De toename van insulineresistentie en diabetes type II in veel bevolkingsgroepen, moet dan ook, net als de toename van overgewicht, vooral aan overvoeding en gebrek aan lichamelijke activiteit worden toegeschreven en niet aan een bepaald bestanddeel van de voeding.

Al met al moeten de resultaten van de studie van Larsson met grote terughoudendheid worden beschouwd.

Prof. Dr. Ir. G. Schaafsma

11 november 2006

Literatuur
Larsson LC, Bergkvist L and Wolk A (2006), Consumption of sugar and sugar-sweetened foods and the risk of pancreatic cancer in a prospective study. Am J Clin Nutr 84: 1171-1176