home
RSS feeds
Alles over suiker

Suikerhistorie

Bij iedereen is er in de keukenkast wel een potje, bus, of doosje mee gevuld. Is het nog wel voor te stellen dat er ooit een tijd was zonder suiker? Eten en drinken zoet maken werd altijd al gedaan, alleen niet altijd met suiker. In de oudheid gebruikten de mensen zoete sappen van planten en vruchten zoals palmen en dadels.

Een tijd zonder suiker?

Naast planten en vruchten is de oudste zoetstof ongetwijfeld honing. Honing was een synoniem van tederheid en werd door dichters bezongen als een Gave Gods, als “goddelijke dauw” en als “uitstraling van de sterren”. Zelfs de goden stelden hem op prijs. Honing werd gebruikt voor de bereiding van hydromel, een goddelijke drank die aan slechts enkele bevoorrechte personen was voorbehouden.

In het oude Griekenland was honing dan ook een kostbaar goed: een halve liter honing kostte even veel als een schaap. Heel wat geneeskrachtige eigenschappen werden aan honing toegeschreven zoals de mogelijkheid om het leven te verlengen.

“Sarkara”
Meer dan 8.000 jaar voor Christus kende men reeds een “suikerstengel”: suikerriet. Het werd voor het eerst gevonden in Nieuw-Guinea. Aanvankelijk werd er op de stengels, die in hun streken als onkruid groeiden, enkel gekauwd. Al snel breidde het suikerriet, door middel van verbouwing, zich oostwaarts uit via Indonesië en de Filippijnen naar India en China. Volgens diverse bronnen zouden de Aziatische volkeren reeds zeer vroeg over een methode beschikt hebben om suiker te winnen uit riet. De Hindoes persten als eerste de rietstengels en lieten het verkregen sap verdampen. Zo ontstond een bruine kleverige brij waarin kristallen ontstonden als men het liet afkoelen. Deze gekristalliseerde massa noemden ze “Sarkara”. Dit woord in het Sanskriet is het stamwoord van suiker in bijna alle talen ter wereld.

Het zoete riet

Tijdens een veldtocht van Alexander de Grote in India, meldde zijn generaal Nearchos dat er een soort riet groeide waaruit de plaatselijke bevolking, zonder hulp van bijen “honing” won. Rietsuiker was hierdoor de eerste suikersoort waarmee de Europeanen kennis maakten. De Perzen zorgden voor de verspreiding van de suikerrietteelt aan de oostkust van de Middellandse Zee. Als het Romeinse Rijk zich later uitbreidt naar het oosten ontstaat een levendige handel in suiker. De Perzen zagen kans om rietsuikersap te zuiveren met melk. De suiker die zij maakten, heeft veel weg van de ruwe rietsuiker die nu nog wordt gemaakt. Veel later maakten de Perzen ‘suikerbroden’, kegelvormige staven suiker, die gemakkelijk konden worden verhandeld.

In de 7e eeuw vallen de Arabieren Perzië binnen en leren zo het suikerriet kennen. Ze introduceren het in de landen die zij veroveren: van Egypte, Cyprus en Rhodos tot in Zuid Spanje. Ze vervolmaken de zuiveringsmethoden van stroop en noemen dit “Khurat al Milh”. Deze term bereikte ons onder de naam “karamel”.

Een nieuw kruid
Eeuwenlang werd suiker alleen in de Arabische wereld gewonen. Het is pas vanaf de 12de eeuw, wanneer de Kruisridders uit het Heilige Land allerhande specerijen meebrengen, dat suiker in Noord Europa bekend raakt.

In de Middeleeuwen moest Europa het vaak nog zonder suiker stellen. De Kruisvaarders namen van hun tochten maar mondjesmaat suiker mee naar Europa want de transporten waren gevaarlijk en lang. Suiker was in die tijd schaars en voorbehouden aan vorsten, edelen, rijke geestelijken en welgestelde burgers. Suiker wordt gedurende lange tijd als een geneesmiddel beschouwt. Zo werd aan het einde van de veertiende eeuw een apotheker geacht minstens vijf verschillend soorten (geparfumeerde) kandijsuiker in huis te hebben.

De grote doorbraak

De grote doorbraak kwam met de tocht van Columbus, die de kennis over de teelt en verwerking van suikerriet naar de nieuwe wereld (Amerika) bracht. Het klimaat leende zich daar uitstekend voor het verbouwen van het tropisch gewas. Ook in de subtropische gebieden rond de Middellandse Zee ontstond een bloeiende suikercultuur. In de zestiende en zeventiende eeuw mengden de Hollanders zich in de handel. Uit tal van overzeese gebieden werd ruwsuiker gehaald die in Amsterdam werd geraffineerd om daarna in gezuiverde vorm te worden geëxporteerd naar andere landen in Europa. Ook Antwerpen was in die tijd een belangrijk handelscentrum. Maar toen de Spanjaarden Antwerpen bezette, werd Amsterdam dé suikerstad.

In 1597 vestigde zich de eerste uit Antwerpen gevluchte suykercierder in Amsterdam. De plaats waar deze onderneming begon, heet nog altijd Suikerbakkerssteeg. In de hoogtijdagen kende ‘s werelds machtigste handelscentrum meer dan honderd raffinaderijen, ook wel suykerbakkerijen genoemd.

Tot ver in de 17e eeuw bleef suiker een kostbaar product. De rijken van toen deden in die tijd graag overal een schepje suiker bij. Vlees, vis, groente en zelfs oesters werden met suiker bestrooid. Ook leerde men de conserverende werking van suiker kennen. Geen luxe in een tijd zonder koelkasten.

Tot in het begin van de 19de eeuw trachten alle Europese naties via hun koloniën hun verbruik te dekken door eigen productie. Ook neemt men zelf het raffineren ter hand. Het verbruik neemt in die tijd spectaculair toe terwijl de prijs alsmaar afneemt.

In 1850 werd in Noord Europa per hoofd van de bevolking ongeveer 150 keer zoveel suiker geconsumeerd als in 1700. Voor de productie van de ruwe rietsuiker was de inzet van slaven van groot belang. Een groot aantal slaven werkte op suikerrietvelden of in suikerfabrieken. Met de afschaffing van de slavernij was suiker op slag weer een dure lekkernij.

Van riet naar biet

In 1747 ontdekte de Duitse scheikundige Andreas Sigismund Marggraf dat in bieten dezelfde suiker zit als in suikerriet. Maar hij slaagde er niet in deze suiker op rendabele manier te winnen. Zijn leerling Franz Carl Achard begon met het kweken van bieten met een zo hoog mogelijk suikergehalte en het lukte hem wel om succesvol de suiker te winnen. In 1805 werd de eerste bietsuikerfabriek gebouwd in Duitsland, maar voor de fabriek op volle sterkte draaide, brak de oorlog met Frankrijk (Napoleon) uit. Dat de theorie van Franz Carl Achard werkte, bewees men in de fabriek die in Silezië gebouwd werd. Hier slaagde men erin uit 2570 kilo bieten 68 kilo ruwsuiker te maken. Hieruit kon vervolgens witte suiker gemaakt worden.

Voor Engeland was de rietsuikerhandel een belangrijke bron van inkomsten. Napoleon, die al grote delen van Europa veroverd had, verbood in 1806 alle handel met Engeland. Een groot suikertekort was het gevolg.

Het winnen van suiker uit bieten werd door Napoleon gezien als de oplossing voor het bevoorradings-probleem. Per decreet werd de suikerbietenteelt gestimuleerd. Na de Franse tijd probeerde Nederland de productie van rietsuiker in de koloniën te herstellen. Door het veredelen van het suikerriet en nieuwe productiemethoden lukte dit tijdelijk. De verzamelde knowhow werd echter ook in het thuisland gebruikt. De suikeropbrengst uit bieten steeg aanzienlijk en aan het einde van de 19e eeuw werd in Nederland ongeveer evenveel biet- als rietsuiker gebruikt.

Dankzij de technologische vooruitgang lukte het om een biet te kweken met een nog hoger suikergehalte: de suikerbiet. Na de tweede wereldoorlog nam door de groei van de bevolking het gebruik van suiker fors toe en er werden steeds meer bieten gekweekt. Door de komst van de automatisering en nieuwe technieken voor het winnen van de suiker groeide de suikerindustrie uit tot de hoogwaardige landbouwindustrie die we nu kennen.