home
RSS feeds
Lekker leven

Zoete woordjes: Suiker in spreekwoorden en gezegden

In veel van onze spreekwoorden en gezegden komen de woorden ‘suiker’, ‘zoet’ en ‘stroop’ voor. Geen wonder! Want de voorliefde voor suiker en zoet is van alle tijden en van alle mensen. Al als pasgeboren baby’s geven we de voorkeur aan zoet boven alle andere smaken. Suiker is dus iets waar we van houden, iets wat we graag willen hebben.

Lange tijd echter was suiker een luxe, die alleen was weggelegd voor de heel rijken. Pas nadat men in de 19e eeuw uitvond hoe je suiker kon winnen uit de suikerbiet, kwam het binnen het bereik van iedereen.

Deze samenhang van onze voorliefde voor suiker en suiker als teken van rijkdom, zien we weerspiegeld in veel van onze Nederlandse en Vlaamse spreekwoorden en gezegden. Suiker heeft daarin namelijk vaak de betekenis van iets heel positiefs: het is geliefd en aantrekkelijk.

De associatie met rijkdom zie je terug in uitdrukkingen als ‘een suikeroompje’. Dat kan zelfs de betekenis aannemen van te véél luxe en verwennerij. Want wat zeggen we bijvoorbeeld steevast als iemand bang is voor een spatje regen? Precies: “Je bent toch niet van suiker!”

We zetten de Nederlandse en Vlaamse uitdrukkingen op een rij. Kent u een spreekwoord over suiker dat niet mag ontbreken? Laat ons het dan weten!

Suiker    
     
Suikeroompje : Iemand met veel geld die je af en toe wat toestopt
     
Een suikertand hebben : Erg van snoep houden
     
Iemand de suikertand uittrekken : Iemand het snoepen verbieden
     
Ik houd niet van zoveel suiker in mijn koffie : Ik vind het niet prettig om zo veel te moeten toegeven
     
Het kan niet altijd suiker en zeem zijn : Iedereen heeft wel eens een tegenslag (Zeem is in West-Vlaanderen honing, in Nederlands Limburg ook wel appelstroop)
     
Als je hart bitter is, zal suiker in je mond niet helpen : Als je verbitterd bent, doordrenkt dat je hele leven
     
Je bent toch niet van suiker? : Je kunt toch wel tegen een beetje regen?
     
Waar de taart het meest verbrand is, strooit men het meeste suiker : Men probeert fouten graag te verdoezelen
     
Met suiker op de tong spreken : Zoete, lieve woordjes spreken
     
Suikeren kind : Een verwend kind
     
Suikerdief : Een gerecht waar veel suiker in gebruikt wordt
     
Twee vliegen om een suikerbeestje : Er vechten er twee om dezelfde zaak
     
Stroop    
     
Zij kwamen erop af als vliegen op de stroop (ook wel: de suiker) : Daar kwamen veel mensen gretig op af
     
Hij loopt met de strooppot : Hij laat zijn geluk zien
     
Iemand stroop om de mond smeren : Iemand vleien
     
Men vangt meer vliegen met stroop dan met azijn : Je bereikt meer met vriendelijkheid dan met dreigementen
     
Zoet    
     
Dat ging als zoete broodjes over de toonbank : Dat werd enorm goed verkocht
     
Voor zoete koek slikken : Alles geloven wat anderen zeggen
     
Zoete broodjes bakken : Heel vriendelijk doen om iets goed te maken, waar men eerst ruzie heeft gemaakt
     
Het zoet wordt zuur door lange duur : Door het lange wachten wordt zelfs het leukste vooruitzicht bedorven
     
Honger maakt rauwe bonen zoet : Als je honger hebt, smaakt alles lekker