home
RSS feeds
40 jaar Suikerstichting Nederland | december 2009

Kijk op suiker door de jaren heen

Presentatie door Prof.dr.ir. G.J. (Gertjan) Schaafsma

Hoe heeft het verbruik en de consumptie van suiker (sacharose) zich in Nederland ontwikkeld? Hoe is er in de loop der jaren door gezondheidsinstanties en politiek tegen suiker aangekeken in relatie tot bijvoorbeeld tandcariës en overgewicht?

Interessante kwesties die Gertjan Schaafsma in zijn presentatie behandelde en in een drieledige conclusie samenvatte.


Ontwikkeling verbruik/consumptie
Na een korte schets over de geschiedenis van suiker, is de huidige situatie (eind 2009) dat er in ons land 1,1 miljoen ton suiker per jaar wordt gefabriceerd in 2 suikerbietenverwerkende fabrieken: Vierverlaten en Dinteloord. Daarnaast zijn er een drietal suikerspecialiteiten fabrieken voor de productie van droge en vloeibare suikerproducten, zoals poedersuiker en stroop. In totaal gaat het om 300 verschillende suikerproducten.

Qua verbruik (d.w.z. suiker beschikbaar per hoofd van de bevolking per jaar) zien we een stijging van 12 kg in de periode 1900-1939 tot ca. 37 kg in 1990. De daadwerkelijke consumptie van suiker ligt lager doordat niet alle suiker die voor consumptie beschikbaar is ook wordt geconsumeerd. We gooien ook wel eens wat weg waarin suiker zit, zoals een halve fles limonade waar de prik uit is, koud geworden koffie, zacht geworden koekjes, etc. Uit voedselconsumptie onderzoek blijkt de voeding in Nederland gemiddeld 24 en% suikers (circa 125 gram) per dag te bevatten. Het betreft hier zowel de van nature in voedingsmiddelen aanwezige suikers als de toegevoegde suikers. De consumptie van toegevoegde suikers (o.a. sacharose) bedraagt gemiddeld 65 gram per dag ofwel zo’n 12 en%. Deze gegevens zijn al jaren min of meer stabiel.

Twee ontwikkelingen zijn opvallend: in de jaren 1936-1965 verminderde de totale hoeveelheid koolhydraten in de voeding van 54,4 en% tot 47,6 en% terwijl het aandeel van suiker daarin toenam van 13,2 en% naar 17,0 en%. Daarnaast nam het suikerverbruik in huishoudens tussen 1965 en 1973 af van 18,0 naar 13,1 kg/hfd/jr) terwijl het verbruik via voedingsmiddelen waaraan door de industrie tijdens de productie suiker is toegevoegd juist toenam van 25,0 naar 33,1 kg/hfd/jr. Van alle suiker die in Nederland wordt gemaakt, gaat ongeveer 85% naar de levensmiddelenindustrie (voor de verwerking in producten) en 15% direct naar de consument (in de vorm van pakken suiker, suikerklontjes, et cetera).

Nutriëntendichtheid
In 1955 richt de Voedingsraad zich per brief tot de toenmalige minister van Landbouw en Visserij over ‘de schadelijke effecten voor de volksgezondheid als gevolg van een verdere toename van de consumptie van een eenzijdig voedingsmiddel als suiker’. In de jaren daarna komen diverse commissies van de Voedingsraad en na 1996 van de Gezondheidsraad op deze hard geformuleerde stelling terug, en wordt deze steeds genuanceerder. Onderwerpen als de betekenis voor de volksgezondheid maar ook het verlagen van de suikeraccijns en de ‘onmisbare’ aantrekkelijkheid van suiker passeren hierbij de revue. In het advies Richtlijnen goede voeding 2006 waarin de actuele stand van wetenschap m.b.t. een gezonde voeding wordt weergegeven is ook ingegaan op de positie van (toegevoegde) suiker in de voeding. Op basis van een analyse van de voedselconsumptie in ons land constateert de Gezondheidsraad dat vanaf 20 en% toegevoegde suiker* in de voeding de nutriëntendichtheid van de voeding daalt. Er werd bij aangetekend dat bij deze hoeveelheid de voorziening echter nog niet in de knel komt.

* (d.w.z. alle suiker die door de consument, de industrie of cateraar aan de voeding wordt toegevoegd)

Tandcariës
Er bestaat consensus over het feit dat bij een slechte mondhygiëne en onvoldoende fluoridevoorziening, frequent gebruik van gemakkelijk vergistbare suikers (w.o. sacharose) aanleiding kan geven tot tandcariës. Er is lang gediscussieerd over de vraag of ook de hoeveelheid suikers hierbij een rol speelt. In 2002 is door het Amerikaanse Institute of Medicine (IOM) vastgesteld dat het niet mogelijk is om een inname niveau van suiker aan te geven waarbij een verhoogd risico op cariës bestaat. In Nederland bestond bij de Voedingsraad en Gezondheidraad al eerder het inzicht dat de hoeveelheid suikers er niet veel toe doet maar dat de gebruiksfrequentie, de verblijftijd in de mond (plakkerigheid), een goede fluoridevoorziening en mondhygiëne veel belangrijker waren. Aan het belang van deze aspecten is in de periode 1964-2006 in verscheidende adviezen van de Gezondheidsraad en Voedingsraad aandacht besteed.
 
Hart- en vaatziekten
Een andere topic dat regelmatig onder de loep is genomen door diverse deskundigencommissies is de mogelijke relatie tussen suikergebruik en het risico op hart- en vaatziekten. In 1967 gaf de Oriënteringscommissie van de Voedingsraad aan dat een beperking van het gebruik van vet en suiker nodig was in de strijd tegen arteriosclerose, vetzucht en tandbederf. In 1971 zwakte de Commissie Suiker in de voeding deze conclusie af terwijl zij meer nadruk legde op een mogelijk verhoogd risico op hyperglycemische, hyperlipidemische en insulinemische effecten als gevolg van suikergebruik. In 2002 gaf het IOM aan dat er in het kader van de preventie van aan voeding gerelateerde chronische ziekten - waaronder hart- en vaatziekten - geen bovengrens kan worden aangegeven voor een aanvaardbaar gebruik van mono- en disachariden. De Gezondheidsraad onderschreef dit standpunt in het advies Richtlijnen goede voeding 2006.

Overgewicht en obesitas
Al in 1968 adviseerde de Voedingsraad om bij (dreigend) overgewicht de hoeveelheid suiker en vet in de voeding te verminderen en meer lichamelijke activiteit te ontplooien. In de loop der jaren is echter uit onderzoek geen eenduidig verband naar voren gekomen tussen suikergebruik en lichaamsgewicht. Naast positieve verbanden is er ook een negatieve correlatie vastgesteld tussen suikergebruik en BMI. Zowel het IOM als de Gezondheidsraad menen daarom dat een aanvaardbare bovengrens voor suikergebruik in het kader van de preventie van overgewicht niet kan worden aangegeven. In de Richtlijnen goede voeding 2006 wordt wel aanbevolen om bij een ongewenste gewichtstoename (positieve energiebalans) naast de hoeveelheid verzadigd vet, de hoeveelheid toegevoegde suikers te beperken. De Wereld Gezondheids Organisatie (WHO) adviseerde in 2004 de hoeveelheid toegevoegde suikers in de voeding te beperken tot 10 en% om daarmee overgewicht te voorkomen. In de Richtlijnen goede voeding 2006 heeft de Gezondheidsraad aangegeven de wetenschappelijke onderbouwing van deze bovengrens te mager te vinden.
 
Diabetes mellitus type 2
Lange tijd werd er bij diabetes mellitus een koolhydraat (suiker)beperkt dieet voorgeschreven. Eind jaren zeventig groeide bij deskundigen de opvatting dat een dergelijk dieet op zich geen bijdrage levert aan een goede controle van de bloedglucosespiegel. Een beperking van het suikergebruik bij diabetes is alleen van belang wanneer er gewichtsreductie moet plaatsvinden. Hoewel de term ‘suikerziekte’ in plaats van diabetes nog vaak opduikt, zijn de deskundigen het er inmiddels over eens dat er geen wetenschappelijk bewijs is dat koolhydraten, waaronder suiker, het risico op het ontstaan van diabetes zouden vergroten.

Glycemische index
Onderwerp voor veel discussie is de Glycemische Index (GI), de graadmeter die aangeeft hoe sterk de glucosespiegel in het bloed omhoog gaat na het eten van een voedingsmiddel. Hoe lager het getal, hoe minder stijging. In 2002 meent het IOM wel dat er aanwijzingen zijn voor een verband tussen het gebruik van voedingsmiddelen met een hoge GI en risicofactoren voor hart- en vaatziekten maar stelt tegelijkertijd dat er meer gecontroleerde studies nodig zijn. En daar zit nu juist het probleem. Goed gecontroleerd onderzoek naar het effect van het gebruik van voedingsmiddelen met een hoge GI op het risico op chronische ziekten is nauwelijks uitvoerbaar. Daarnaast is het nog niet duidelijk of de consument in de praktijk weet om te gaan met het GI-concept. In de Richtlijnen goede voeding 2006 wordt aangegeven dat er nog te weinig wetenschappelijk bewijs is dat concepten als de GI een bruikbaar instrument zijn om het risico op bepaalde chronische ziekten onder de bevolking te verminderen.

Gedrag
Suiker in relatie tot hyperactief gedrag, vooral bij kinderen, is al lange tijd een controversieel onderwerp. Reguliere wetenschappers menen dat er onvoldoende aanwijzingen zijn voor een dergelijk verband. Alternatieve wetenschappers en ‘ervaringsdeskundigen’ denken hier anders over. In 2002 stelde het IOM vast dat er op basis van de beschikbare kennis geen bewijs is gevonden dat suikergebruik invloed heeft op gedrag. Er kan geen aanvaardbare bovengrens voor suikergebruik in relatie tot gedrag worden vastgesteld.
 
Conclusie
Gertjan Schaafsma brengt de conclusie van zijn presentatie “Kijk op suiker”, in drie punten. De eerste luidt dat er een duidelijke stijging te zien is in de suikerconsumptie vanaf 1900 tot en met de jaren ’70 van de vorige eeuw. Het tweede stuk van zijn conclusie luidt dat er geen bewijs is voor directe oorzakelijke relaties tussen suikergebruik en chronische ziekten, met uitzondering van tandcariës. En ten derde stelt hij op basis van de geraadpleegde adviezen en richtlijnen vast dat in de situatie van een positieve energiebalans matiging van suikergebruik een bijdrage kan¹ leveren aan de wenselijke vermindering van de energie-inname.

Voetnoot
  1. Het woordje ‘kan’ is met opzet cursief afgedrukt. Vermindering van de inname van suiker bij preventie en behandeling van overgewicht is alleen zinvol als dit leidt tot een reductie van de totale energie-inname. En dat staat niet bij voorbaat vast.
Met dank aan Ir. Willem Bosman voor het voorbereidende bronnenonderzoek.