

Risicofactoren voor hart- en vaatziekten | april 2010
“Het voorkomen van hart- en vaatziekten draait primair om het aanleren van een gezond eet- en beweegpatroon.”
Interview met dr. Henk van den Berg, Voedings-centrum.Het Voedingscentrum vertaalt evidence based onderzoeksresultaten en expert opinions naar bruikbare consumentenadviezen.
Daarbij is het wel uitermate belangrijk om deze in een specifiek Nederlands kader te kunnen plaatsen.
Het Voedingscentrum geeft voorlichting over voeding en gezondheid, onder andere om het risico op hart- en vaatziekten te verkleinen. Hoe gaat dat in z’n werk?
“De basis van onze voorlichting bestaat uit de Richtlijnen Goede Voeding van de Gezondheidsraad. Die zijn bedoeld voor de gezonde populatie waarbij preventie van voeding gerelateerde ziekten, zoals hart- en vaatziekten, een belangrijk aandachtspunt is. Daarnaast kijken we ook naar rapporten en publicaties van buitenlandse voedingsautoriteiten en onafhankelijke expertcommissies, zoals van de WHO, IOM en FDA (VS), en FSA/SACN (GB), etc. Ook richtlijnen van beroepsorganisaties zoals van CBO en NHG zijn belangrijke brondocumenten. Wij vertalen deze richtlijnen door naar praktisch bruikbare consumentenadviezen. De gezonde consument is daarbij onze primaire doelgroep maar wij geven ook dieetbrochures uit voor personen met een specifiek voedingsprobleem, bijvoorbeeld in de vorm van een verhoogd cholesterolgehalte. Uitgangspunt is dat onze adviezen zoveel mogelijk ‘evidence based’ zijn, en/of gebaseerd op expert opinions. Wij maken daarbij ook dankbaar gebruik van ons kennisnetwerk.”
Het Voedingscentrum baseert zich voor haar adviezen op de richtlijnen van de Gezondheidsraad die zich op zijn beurt weer baseert op gedegen wetenschappelijk onderzoek. Wat vindt u van het scientific statement van de American Heart Association (AHA) dat men, ter voorkoming van hart- en vaatziekten, het gebruik van toegevoegde suikers zou moeten beperken?
“Zo’n scientific statement is goed voor de wetenschappelijke discussie, maar moet niet tot verwarring leiden onder bijvoorbeeld diëtisten en consumenten. De Amerikaanse onderzoekers geven zelf aan dat de evidentie onder de relatie (toegevoegde) suiker en gezondheid/overgewicht dun is: ‘inconclusive’ dan wel ‘inconsistent’. Vanwege de obesitas-epidemie in de VS komen ze desondanks toch met een ‘prudent’ advies om de inneming van toegevoegde suiker te beperken tot max. 50% van de ‘vrije’ (discretionaire) ruimte¹. Dat is een arbitraire keuze. Daarbij komt dat de in de VS gehanteerde waarden voor de discretionaire ruimte veel lager zijn dan die wij in Nederland hanteren, vanwege de bewegingsarme leefstijl in de VS.
Het AHA-advies gaat verder dan het IOM-advies uit 2002 waarin voorzichtig een bovengrens van 25 En % voor toegevoegde suikers wordt gesuggereerd, gebaseerd op het handhaven van een afdoende voorziening van voedingsstoffen. Ook die relatie is onderhevig aan discussie, maar uit VCP-data blijkt dat met name in een laagenergetische voeding met veel suiker een adequate voorziening met microvoedingsstoffen in bepaalde situaties problematisch kan worden. Overigens is het AHA-advies gekoppeld aan de Amerikaanse situatie en kan dan ook niet zomaar geprojecteerd worden op onze situatie.”
Betekent dit dat het Voedingscentrum niets ziet in het vaststellen c.q. communiceren van maximum gebruikswaarden?
“Duidelijk is dat in relatie tot overgewicht er vooralsnog geen harde conclusies te trekken zijn over invulling van de discretionaire (vrije) ruimte. Vraag is of het stellen van een maximum aan het gebruik van toegevoegde suikerinneming iets toevoegt in de strijd tegen overgewicht. Het gaat wat mij betreft toch primair om het aanleren van een gezond eet- en beweegpatroon en het handhaven van een gezonde energiebalans. Daar ligt ook de nadruk op in onze voorlichting. Als bron van koolhydraten kies je bij voorkeur (basis)producten met complexe koolhydraten en voedingsvezel, zoals volkoren graanproducten, etc. Bij de productindeling resulteert de aanwezigheid van toegevoegde suikers bij bepaalde basisproductgroepen in een lagere indeling vanwege de hogere energetische waarde, zoals bij bewerkt fruit, melkproducten en dranken. Bij de extra’s zijn de energierijkere productvarianten altijd uitzonderingsproduct. Door je aan deze adviezen te houden beperk je vanzelf het gebruik van teveel suiker. Bovengrenzen (upper levels) moeten gebaseerd zijn op wetenschappelijk bewijs over gezondheidsrisico’s, zoals het geval voor bepaalde vitamines. Bij suiker lijkt een focus op producten en productkeuze, gebaseerd op voedingsstoffen- vs. energiedichtheid, mij relevanter dan focus op de voedingsstof zelf.”
1) Discretionaire ruimte
Voedingsadviezen richten zich in eerste instantie op de basisvoedingsmiddelen. Naast de basisvoedingsmiddelen is er ook ruimte om de energiebehoefte aan te vullen met voedingsmiddelen die energie leveren, maar die niet noodzakelijkerwijs in belangrijke mate voorzien in essentiële voedingsstoffen, de zogenoemde niet-basisvoedingsmiddelen. Deze energie wordt discretionaire energie genoemd, ofwel vrij te besteden energie.
“De basis van onze voorlichting bestaat uit de Richtlijnen Goede Voeding van de Gezondheidsraad. Die zijn bedoeld voor de gezonde populatie waarbij preventie van voeding gerelateerde ziekten, zoals hart- en vaatziekten, een belangrijk aandachtspunt is. Daarnaast kijken we ook naar rapporten en publicaties van buitenlandse voedingsautoriteiten en onafhankelijke expertcommissies, zoals van de WHO, IOM en FDA (VS), en FSA/SACN (GB), etc. Ook richtlijnen van beroepsorganisaties zoals van CBO en NHG zijn belangrijke brondocumenten. Wij vertalen deze richtlijnen door naar praktisch bruikbare consumentenadviezen. De gezonde consument is daarbij onze primaire doelgroep maar wij geven ook dieetbrochures uit voor personen met een specifiek voedingsprobleem, bijvoorbeeld in de vorm van een verhoogd cholesterolgehalte. Uitgangspunt is dat onze adviezen zoveel mogelijk ‘evidence based’ zijn, en/of gebaseerd op expert opinions. Wij maken daarbij ook dankbaar gebruik van ons kennisnetwerk.”
Het Voedingscentrum baseert zich voor haar adviezen op de richtlijnen van de Gezondheidsraad die zich op zijn beurt weer baseert op gedegen wetenschappelijk onderzoek. Wat vindt u van het scientific statement van de American Heart Association (AHA) dat men, ter voorkoming van hart- en vaatziekten, het gebruik van toegevoegde suikers zou moeten beperken?
“Zo’n scientific statement is goed voor de wetenschappelijke discussie, maar moet niet tot verwarring leiden onder bijvoorbeeld diëtisten en consumenten. De Amerikaanse onderzoekers geven zelf aan dat de evidentie onder de relatie (toegevoegde) suiker en gezondheid/overgewicht dun is: ‘inconclusive’ dan wel ‘inconsistent’. Vanwege de obesitas-epidemie in de VS komen ze desondanks toch met een ‘prudent’ advies om de inneming van toegevoegde suiker te beperken tot max. 50% van de ‘vrije’ (discretionaire) ruimte¹. Dat is een arbitraire keuze. Daarbij komt dat de in de VS gehanteerde waarden voor de discretionaire ruimte veel lager zijn dan die wij in Nederland hanteren, vanwege de bewegingsarme leefstijl in de VS.
Het AHA-advies gaat verder dan het IOM-advies uit 2002 waarin voorzichtig een bovengrens van 25 En % voor toegevoegde suikers wordt gesuggereerd, gebaseerd op het handhaven van een afdoende voorziening van voedingsstoffen. Ook die relatie is onderhevig aan discussie, maar uit VCP-data blijkt dat met name in een laagenergetische voeding met veel suiker een adequate voorziening met microvoedingsstoffen in bepaalde situaties problematisch kan worden. Overigens is het AHA-advies gekoppeld aan de Amerikaanse situatie en kan dan ook niet zomaar geprojecteerd worden op onze situatie.”
Betekent dit dat het Voedingscentrum niets ziet in het vaststellen c.q. communiceren van maximum gebruikswaarden?
“Duidelijk is dat in relatie tot overgewicht er vooralsnog geen harde conclusies te trekken zijn over invulling van de discretionaire (vrije) ruimte. Vraag is of het stellen van een maximum aan het gebruik van toegevoegde suikerinneming iets toevoegt in de strijd tegen overgewicht. Het gaat wat mij betreft toch primair om het aanleren van een gezond eet- en beweegpatroon en het handhaven van een gezonde energiebalans. Daar ligt ook de nadruk op in onze voorlichting. Als bron van koolhydraten kies je bij voorkeur (basis)producten met complexe koolhydraten en voedingsvezel, zoals volkoren graanproducten, etc. Bij de productindeling resulteert de aanwezigheid van toegevoegde suikers bij bepaalde basisproductgroepen in een lagere indeling vanwege de hogere energetische waarde, zoals bij bewerkt fruit, melkproducten en dranken. Bij de extra’s zijn de energierijkere productvarianten altijd uitzonderingsproduct. Door je aan deze adviezen te houden beperk je vanzelf het gebruik van teveel suiker. Bovengrenzen (upper levels) moeten gebaseerd zijn op wetenschappelijk bewijs over gezondheidsrisico’s, zoals het geval voor bepaalde vitamines. Bij suiker lijkt een focus op producten en productkeuze, gebaseerd op voedingsstoffen- vs. energiedichtheid, mij relevanter dan focus op de voedingsstof zelf.”
1) Discretionaire ruimte
Voedingsadviezen richten zich in eerste instantie op de basisvoedingsmiddelen. Naast de basisvoedingsmiddelen is er ook ruimte om de energiebehoefte aan te vullen met voedingsmiddelen die energie leveren, maar die niet noodzakelijkerwijs in belangrijke mate voorzien in essentiële voedingsstoffen, de zogenoemde niet-basisvoedingsmiddelen. Deze energie wordt discretionaire energie genoemd, ofwel vrij te besteden energie.
Nieuwsbrief inhoudsopgave
Kort nieuws
Nieuws aanmelden
Wellicht heeft u zelf een nieuwtje dat in aanmerking komt voor plaatsing in deze rubriek? Mailt u ons op info@suikerstichting.nl.


