home
RSS feeds
Mondgezondheid | april 2006

“Leerstoel als aanzet voor samenwerking en kruisbestuiving”

Sinds november 2005 bezet dr. C. van Loveren de leerstoel van bijzonder hoogleraar Preventieve tandheelkunde aan de Faculteit der Tandheelkunde van de Universiteit van Amsterdam (UvA). De leerstoel is ingesteld vanwege het Ivoren kruis, vereniging voor de preventie van mond- en tandziekten. Aan de start van deze vijfjarige verbintenis blikt Van Loveren terug én kijkt hij vooruit op het brede vakgebied van mondgezondheid.

Dr. Cor van Loveren is sinds 1977 werkzaam op het gebied van de preventieve tandheelkunde, deels als onderzoeker, deels als docent. Daarnaast is hij reeds jarenlang actief in het Adviescollege Preventie Tand- en Mondziekten van het Ivoren Kruis. Het Adviescollege heeft aan de wieg gestaan van adviezen met grote maatschappelijke impact, zoals bijvoorbeeld de invoering van de fluoridepeutertandpasta

Onderwijs, onderzoek en advisering op het gebied van preventieve tandheelkunde gaan bij u hand in hand. Hoe past u het hoogleraarschap in in uw agenda?
“Prima. Ik ga ervan uit dat hoe drukker je bent, hoe meer resultaat en dus meer plezier. Bovendien is het zo dat het hoogleraarschap mijn werk zichtbaarder maakt, en dat is prettig. Ik ben namelijk erg begaan met de tandheelkunde als wetenschappelijk vak en wil graag zichtbaar maken dat deze wetenschap nodig is bij de dagelijkse praktijk. De taakstelling van de leerstoel is dan ook om de klinische preventie – dus wat de tandarts en de mondhygiëniste doen – te stimuleren en te sturen.”

Bij klinische preventie denken de meeste mensen aan poetsadvies voor kinderen. Is dat terecht?
“Kinderen vormen zeker een belangrijke preventiedoelgroep maar er zijn ook andere doelgroepen voor wie klinische preventie heel belangrijk is. Zoals mensen met chronisch medicijngebruik (problemen door ongewenste bijwerkingen, zoals vermindering speekselvorming) en ouderen. Veel ouderen zijn in de loop der jaren uitgebreid tandheelkundig behandeld met bruggen, kronen, implantaten e.d. maar komen, nu ze op hoge leeftijd zijn, om diverse redenen vaak niet meer toe aan de daarvoor vereiste mondverzorging. Met alle gevolgen van dien. Door deze leerstoel kunnen vragen die hieromtrent binnen ons vakgebied c.q. het Adviescollege leven, relatief snel en makkelijk door studenten onderzocht worden. Het is een wisselwerking; ik zie de leerstoel dan ook als een welkome aanzet tot meer samenwerking en kruisbestuiving.”

Hoe belangrijk is die wisselwerking tussen ‘theorie’ en ‘praktijk’ voor u?
”Voor advisering is deze wisselwerking bijzonder belangrijk. Er is immers nog zoveel onbekend. De leerstoel schept mogelijkheden om zaken te onderzoeken die in het kader van ‘het grote onderzoekswerk’ zouden blijven liggen. Neem bijvoorbeeld de volgende vraag: bij elektrisch poetsen gebruikt men vaak minder tandpasta doordat de kop van de tandenborstel kleiner is. Is dat goed of juist slecht? Deze vraag kunnen studenten onderzoeken door proefpersonen goed te laten poetsen middels hand- of elektrische methode en daarna de fluoridegehaltes in de mond te meten. Of neem tanderosie, dat staat momenteel erg in de belangstelling. Hoe erosief producten zijn is niet goed te voorspellen. Met onderzoek op dat vlak scoor je niet direct in de top van de onderzoekswereld, hoewel het klinisch wel heel belangrijk is.”

De laatste tijd berichten de media regelmatig over (een toename van) cariës en erosie. Hoe is de stand van zaken ten aanzien van mondgezondheid in Nederland?
“Als je denkt aan mondgezondheid bij de jeugd, dan denk je bijna automatisch aan cariës. Of de hoeveelheid cariës toeneemt zou ik niet durven zeggen. Als je regelmatig onderzoek doet zie je golfbewegingen in periodes met toename en afname. En je hoort signalen uit de praktijk die je onderzoeksresultaten kunnen onderschrijven of juist tegenspreken. Daarnaast spelen ook veel verschillende factoren een rol. Eigenlijk duurt het altijd enige tijd voordat je betrouwbare conclusies kunt trekken uit een piek of dal in cijfermateriaal. Over het algemeen is de mondgezondheid na de introductie van de fluoridetandpasta wel enorm verbeterd. In de westerse wereld althans. Want in landen waar ze deze producten niet alom gebruiken (zoals voorheen in Oost-Europa en Japan) zie je dat de mondgezondheid achterblijft. In de periode tussen 1975 en 1990 is in ons land het gemiddelde aantal gaatjes in het kindergebit van 6-jarigen gedaald van 18 naar 4. Daarna is het gemiddelde stabiel gebleven. Ik denk dan ook dat we het goed doen - zelfs iets beter dan andere westerse landen. Dit staat los van de vraag of je tevreden bent met dit eindresultaat en of je in staat bent om het resultaat op dit niveau te houden. Heb je het over de stand van zaken omtrent mondgezondheid dan moet je naast cariës het erosieprobleem niet vergeten. Erosie neemt toe en stapelt zich ook nog eens bovenop het cariësprobleem.”

In 2005 bracht het Ivoren Kruis voor het eerst een advies uit inzake preventie van tanderosie. Als je de berichtgeving in de media erop naslaat is het voor iedereen duidelijk dat frisdranken de grote boosdoeners zijn. Is dat volgens uw mening werkelijk zo?
“Tanderosie wordt veroorzaakt door de inwerking van zuur. Het advies is minder zuurgebruik. Dan wijs je naar (fris)dranken als de grote boosdoener. Waarom? Omdat ze veelvuldig geconsumeerd worden en omdat ze zuur zijn. Tegen die zuurwerking is nu eenmaal het makkelijkst wat te doen. Gewoon niet drinken. Overigens zijn vruchtendranken wat zuurwerking betreft risicovoller dan cola-dranken. Terwijl cola doorgaans een slechtere naam heeft. Het ingewikkelde van dit advies is dat de ene persoon door dagelijks 2 glazen fris te drinken wel tanderosie krijgt, en de ander niet. We weten simpelweg niet hoe dat werkt. De vraag is dan ook of je collectieve of individuele adviezen moet geven. Doordat zuur bijna altijd de oorzaak is, zou je de blootstelling aan zuur moeten verminderen. De oplossing voor het probleem ligt dus in gedragsverandering. En meer alternatieve dranken tot je nemen zoals koffie, thee, melk of water. Wat betreft poetsen geldt voor cariës en erosie hetzelfde; twee maal per dag aandachtig de tanden en kiezen poetsen is prima. Vaker of krachtiger poetsen heeft geen zin en heeft, zeker na een zuuraanval, een averechts effect. Gezien deze feiten laten we ons advies (2x aandachtig poetsen) nog prevaleren als algemeen advies. Individueel kun je dit advies aanpassen. En wat de frisdrankenindustrie betreft, men is over het algemeen heel bereidwillig om oplossingen voor problemen als erosie te bedenken. Ga maar na, er is toch niemand in die club die denkt, ik ga eens lekker erosie veroorzaken met mijn product…!”

Ter afsluiting: Wat is uw mening over een vaak geciteerd WHO-artikel waarin wordt gesteld dat vruchtensuikers niet cariogeen zouden zijn en toegevoegde suikers wel?
“Onzin. Dit is in feite vergelijkbaar met een doorvertelverhaaltje dat na afloop van een kinderspelletje totaal anders klinkt dan in het begin... Ook dit vruchtensuiker & toegevoegde suiker-verhaal heeft ergens een oorsprong en wordt door verschillende instanties naar eigen goeddunken aangepast en ‘doorverteld’. Waar het WHO-verhaal in oorsprong over gaat is, dat er onderscheid gemaakt wordt tussen ‘intrinsic & extrinsic sugars’. Intrinsic sugars zijn suikers ingebouwd in de structuur van de vrucht; onder extrinsic sugars vangen we voor het gemak de vrije suikers in vruchten en toegevoegde suikers. Theoretisch gezien zou je inderdaad geen gaatjes hoeven krijgen als je intrinsic sugar in zijn geheel tot je neemt. Maar wie consumeert er nu een sinaasappel of appel in z’n geheel of zonder te kauwen? Dat de suikers in fruit minder schadelijk zouden zijn dan toegevoegde suikers is in het licht van consumptie onzin. Want door op fruit te kauwen of door het tot sap te persen, verandert de fruit-suikerstructuur van intrinsic in extrinsic en is de intrinsic suiker dus wel degelijk cariogeen. Het gaat hier om een heel kunstmatig onderscheid dat eigenlijk geen rol zou mogen spelen in klinische preventie of consumentenvoorlichting.”