

Mondgezondheid | april 2006
Wordt het kindergebit slechter?
In 2005 schonken de media uitgebreid aandacht aan het feit dat de kindergebitten weer slechter zouden zijn geworden. Veel tandartsen beamen dat de gebitten van de kinderen die in de praktijk komen, duidelijk slechter zijn dan die van een paar jaar geleden. Echter, blijkt deze geconstateerde verslechtering van kindergebitten ook uit daarop gericht onderzoek?Door G.J. Truin
(Preventieve en Curatieve Tandheelkunde van het UMC St. Radboud te Nijmegen)
In de gemeente Den Haag vindt reeds vele decennia periodiek onderzoek plaats naar de prevalentie van tandcariës bij 5-/6- en 11-/12-jarige Haagse schooljeugd, in 2003 voor de laatste maal. De conclusie van dit onderzoek was dat bij de 5- en 6-jarige Haagse schoolkinderen het percentage cariësvrije kinderen en de gemiddelde cariëservaring (caries experience) in de periode 1996-2002 niet significant zijn veranderd. Bij de 11- en 12-jarigen in het lage sociale niveau bleek het percentage kinderen met gave blijvende dentitie in de periode 1996-2002 significant toegenomen. De verschillen in mondgezondheid bij de 11- en 12-jarigen uit het lage, midden en hoge sociale niveau waren in 2002 veel minder uitgesproken dan in 1996 en 1998.
In 2005 schonken de media uitgebreid aandacht aan het feit dat de kindergebitten weer slechter zouden zijn geworden. Aanleiding voor al deze reacties vormde het verschijnen van het rapport Signalement Mondzorg 2004 van het College voor zorgverzekeringen. In het rapport worden de resultaten van onderzoeken die het CVZ heeft laten uitvoeren naar de mondzorg gepresenteerd en op basis daarvan wordt geconcludeerd dat de verzorgingsgraad (een aspect van mondgezondheid dat aangeeft welk deel van de te restaureren tandvlakken daadwerkelijk is gevuld) in de leeftijdsgroep tot tien jaar onveranderd laag is. Nieuw is dat de verzorgingsgraad van jeugdigen vanaf tien jaar de laatste jaren significant is verslechterd.
In het veld worden de signalen van slechter wordende kindergebitten herkend. Veel tandartsen beamen dat de gebitten van de kinderen die in de praktijk komen, duidelijk slechter zijn dan die van een paar jaar geleden. Echter, blijkt deze ontwikkeling ook uit daarop gericht onderzoek? Het periodieke onderzoek in Den Haag in 2005 was mede bedoeld om de vraag te beantwoorden of zich tussen 2002 en 2005 veranderingen hebben voorgedaan in de prevalentie van tandcariës bij 5- en 6- jarige kleuters en 11-/12-jarigen in Den Haag en om na te gaan of de veel gehoorde uitspraken dat het slechter gaat met het kindergebit van toepassing zijn voor de Haagse schoolkinderenpopulatie.…
Onderzoeksgroep
Alle basisscholen die ook aan het onderzoek in 2002 hadden deelgenomen, werden benaderd voor deelname aan het onderzoek. Alle ouders van de leerlingen van groep 2 (5 en 6 jaar) en groep 8 (11 en 12 jaar) van de geselecteerde scholen zijn vervolgens gevraagd hun medewerking aan het onderzoek te verlenen. De nationaliteit van de kinderen is gebaseerd op de nationaliteit van de moeder. Op basis van de postcodes van de woonadressen van de kinderen, die toestemden in het onderzoek, heeft vervolgens een classificatie naar laag, midden en hoog milieu plaatsgevonden..
Klinisch tandheelkundig onderzoek
Het tandheelkundig onderzoek vond op school plaats. Bij het klinisch onderzoek werd, na het droogblazen van de gebitselementen, vastgelegd of er sprake is van een aangetast (d=decayed), geëxtraheerd (m=missing) of gerestaureerd (f=filled) tandvlak (s=surface). De dmfs/ DMFS scores, die hieruit is samen te stellen, zijn een maat voor de opgetreden tandcariës in het melk- (dmfs score), respectievelijk blijvend gebit (DMFS score). Een dmfs score van nul betekent bij de vijf- en zesjarigen een gaaf melkgebit, een DMFS score van nul bij de elf- en twaalfjarigen een gaaf blijvend gebit. Bij het klinisch tandcariësonderzoek werden geen röntgenfoto’s gemaakt.
Resultaten
Vijf- en zesjarigen
In tabel 1 zijn de belangrijkste resultaten van het tandcariësonderzoek in 2005 samengevat en worden deze vergeleken met de resultaten uit 2002. Het percentage 5-/6-jarigen met een gaaf melkgebit is in 2005 in alle milieus hoger dan in 2002. Bij statistische toetsing zijn de verschillen in het percentage cariësvrije kinderen tussen beide jaren niet significant. Duidelijk is dat er geen sprake is van een toename van tandcariës bij de 5-/6-jarigen in Den Haag. Ook in 2005 bestaan er nog aanzienlijke verschillen in het percentage met een gaaf melkgebit tussen de milieus. Bij de kinderen uit het lage milieu heeft ongeveer 50% van de kinderen een niet-gaaf gebit. Bij deze kinderen worden gemiddeld 7 tot 10 gaatjes gevonden. De gebitsgezondheid, uitgedrukt in gemiddelde dmfs-waarden, bij de kinderen met een niet-cariësvrije melkdentitie heeft zich tussen 2002 en 2005 ook niet significant gewijzigd. Wat betreft de verzorgingsgraad van het melkgebit is het nog steeds slecht gesteld: zowel in 2002 als in 2005 is ongeveer 20% van de aangetaste vlakken van het melkgebit behandeld.
Tabel 1.
Percentages (95% BI = betrouwbaarheidsinterval) 5-/6- en 11-/12-jarige kinderen respectievelijk met een gaaf melkgebit (dmfs=0) en gaaf blijvend gebit (DMFS=0) en de gemiddelde DMFS-waarde bij kinderen met een niet-gaaf melk-, respectievelijk blijvend gebit (SD = Standaard Deviatie) in 2002 en 2005, opgesplitst naar SES.
Elf- en twaalfjarigen
Het percentage kinderen met een cariësvrije blijvend gebit in het lage sociale milieu is in 2005 ten opzichte van 2002 niet significant veranderd. Dit geldt voor zowel de kinderen van Nederlandse als Turkse en Marokkaanse nationaliteit. Opvallend is dat het gemiddelde DMFS-getal van de kinderen met een niet-gave blijvende dentitie in 2005 lager is dan in 2002. Deze verbetering in mondgezondheid is waarneembaar bij zowel de Nederlandse als Turkse en Marokkaanse kinderen. Bij toetsing zijn de verschillen in het DMFS-getal in 2002 en 2005 echter niet significant. Vergeleken met hun leeftijdsgenoten in 2002 heeft een hoger percentage 11-/12 jarige kinderen een gaaf blijvend gebit in 2005. Duidelijk is dat ook in deze leeftijdsgroep geen sprake is van een verslechtering van de gebitsgezondheid.
Conclusies
Het periodieke onderzoek in Den Haag in 2005 was mede bedoeld om de vraag te beantwoorden of zich tussen 2002 en 2005 veranderingen in de gebitsgezondheid bij de jeugd hebben voorgedaan. Immers, ‘het zou slechter gaan met de gebitten van de jeugd’. Op basis van de gevonden resultaten in 2005 kunnen wij concluderen dat de bevindingen in Den Haag het algemene gevoel dat het slechter gaat met het kindergebit (het melkgebit van de 5-/6-jarigen en het blijvend gebit van de 11-/12-jarigen) niet ondersteunen. Tegelijkertijd moet worden geconstateerd dat de afgelopen jaren in Den Haag ook geen wezenlijke verbeteringen in het gebitsgezondheid van 5-/6-jarigen in het lage milieu zijn bereikt. Nog steeds heeft in deze groep ongeveer 50% van de kinderen een ernstig carieus melkgebit.
Deze studie is mogelijk gemaakt door een subsidie van Suikerstichting Nederland te Baarn
(Preventieve en Curatieve Tandheelkunde van het UMC St. Radboud te Nijmegen)
In de gemeente Den Haag vindt reeds vele decennia periodiek onderzoek plaats naar de prevalentie van tandcariës bij 5-/6- en 11-/12-jarige Haagse schooljeugd, in 2003 voor de laatste maal. De conclusie van dit onderzoek was dat bij de 5- en 6-jarige Haagse schoolkinderen het percentage cariësvrije kinderen en de gemiddelde cariëservaring (caries experience) in de periode 1996-2002 niet significant zijn veranderd. Bij de 11- en 12-jarigen in het lage sociale niveau bleek het percentage kinderen met gave blijvende dentitie in de periode 1996-2002 significant toegenomen. De verschillen in mondgezondheid bij de 11- en 12-jarigen uit het lage, midden en hoge sociale niveau waren in 2002 veel minder uitgesproken dan in 1996 en 1998.
In 2005 schonken de media uitgebreid aandacht aan het feit dat de kindergebitten weer slechter zouden zijn geworden. Aanleiding voor al deze reacties vormde het verschijnen van het rapport Signalement Mondzorg 2004 van het College voor zorgverzekeringen. In het rapport worden de resultaten van onderzoeken die het CVZ heeft laten uitvoeren naar de mondzorg gepresenteerd en op basis daarvan wordt geconcludeerd dat de verzorgingsgraad (een aspect van mondgezondheid dat aangeeft welk deel van de te restaureren tandvlakken daadwerkelijk is gevuld) in de leeftijdsgroep tot tien jaar onveranderd laag is. Nieuw is dat de verzorgingsgraad van jeugdigen vanaf tien jaar de laatste jaren significant is verslechterd.
In het veld worden de signalen van slechter wordende kindergebitten herkend. Veel tandartsen beamen dat de gebitten van de kinderen die in de praktijk komen, duidelijk slechter zijn dan die van een paar jaar geleden. Echter, blijkt deze ontwikkeling ook uit daarop gericht onderzoek? Het periodieke onderzoek in Den Haag in 2005 was mede bedoeld om de vraag te beantwoorden of zich tussen 2002 en 2005 veranderingen hebben voorgedaan in de prevalentie van tandcariës bij 5- en 6- jarige kleuters en 11-/12-jarigen in Den Haag en om na te gaan of de veel gehoorde uitspraken dat het slechter gaat met het kindergebit van toepassing zijn voor de Haagse schoolkinderenpopulatie.…
Onderzoeksgroep
Alle basisscholen die ook aan het onderzoek in 2002 hadden deelgenomen, werden benaderd voor deelname aan het onderzoek. Alle ouders van de leerlingen van groep 2 (5 en 6 jaar) en groep 8 (11 en 12 jaar) van de geselecteerde scholen zijn vervolgens gevraagd hun medewerking aan het onderzoek te verlenen. De nationaliteit van de kinderen is gebaseerd op de nationaliteit van de moeder. Op basis van de postcodes van de woonadressen van de kinderen, die toestemden in het onderzoek, heeft vervolgens een classificatie naar laag, midden en hoog milieu plaatsgevonden..
Klinisch tandheelkundig onderzoek
Het tandheelkundig onderzoek vond op school plaats. Bij het klinisch onderzoek werd, na het droogblazen van de gebitselementen, vastgelegd of er sprake is van een aangetast (d=decayed), geëxtraheerd (m=missing) of gerestaureerd (f=filled) tandvlak (s=surface). De dmfs/ DMFS scores, die hieruit is samen te stellen, zijn een maat voor de opgetreden tandcariës in het melk- (dmfs score), respectievelijk blijvend gebit (DMFS score). Een dmfs score van nul betekent bij de vijf- en zesjarigen een gaaf melkgebit, een DMFS score van nul bij de elf- en twaalfjarigen een gaaf blijvend gebit. Bij het klinisch tandcariësonderzoek werden geen röntgenfoto’s gemaakt.
Resultaten
Vijf- en zesjarigen
In tabel 1 zijn de belangrijkste resultaten van het tandcariësonderzoek in 2005 samengevat en worden deze vergeleken met de resultaten uit 2002. Het percentage 5-/6-jarigen met een gaaf melkgebit is in 2005 in alle milieus hoger dan in 2002. Bij statistische toetsing zijn de verschillen in het percentage cariësvrije kinderen tussen beide jaren niet significant. Duidelijk is dat er geen sprake is van een toename van tandcariës bij de 5-/6-jarigen in Den Haag. Ook in 2005 bestaan er nog aanzienlijke verschillen in het percentage met een gaaf melkgebit tussen de milieus. Bij de kinderen uit het lage milieu heeft ongeveer 50% van de kinderen een niet-gaaf gebit. Bij deze kinderen worden gemiddeld 7 tot 10 gaatjes gevonden. De gebitsgezondheid, uitgedrukt in gemiddelde dmfs-waarden, bij de kinderen met een niet-cariësvrije melkdentitie heeft zich tussen 2002 en 2005 ook niet significant gewijzigd. Wat betreft de verzorgingsgraad van het melkgebit is het nog steeds slecht gesteld: zowel in 2002 als in 2005 is ongeveer 20% van de aangetaste vlakken van het melkgebit behandeld.
Tabel 1.
Percentages (95% BI = betrouwbaarheidsinterval) 5-/6- en 11-/12-jarige kinderen respectievelijk met een gaaf melkgebit (dmfs=0) en gaaf blijvend gebit (DMFS=0) en de gemiddelde DMFS-waarde bij kinderen met een niet-gaaf melk-, respectievelijk blijvend gebit (SD = Standaard Deviatie) in 2002 en 2005, opgesplitst naar SES.
|
| Ned.nat | 71 | 65-77 | 4,8 | (6,6) | 80 | 75-86 | 4,5 | (4,5) |
| SES hoog |
| Ned.nat | 79 | 62-95 | 3,2 | (2,7) | 84 | 74-94 | 3,7 | (2,1) |
|
| Ned.nat | 83 | 77-89 | 2,3 | (2,2) | 91 | 86-96 | 2,5 | (1,9) |
| SES hoog |
| Ned.nat | 87 | 75-99 | 2,5 | (10) | 97 | 91-100 | 1,0 | (0,0) |
Elf- en twaalfjarigen
Het percentage kinderen met een cariësvrije blijvend gebit in het lage sociale milieu is in 2005 ten opzichte van 2002 niet significant veranderd. Dit geldt voor zowel de kinderen van Nederlandse als Turkse en Marokkaanse nationaliteit. Opvallend is dat het gemiddelde DMFS-getal van de kinderen met een niet-gave blijvende dentitie in 2005 lager is dan in 2002. Deze verbetering in mondgezondheid is waarneembaar bij zowel de Nederlandse als Turkse en Marokkaanse kinderen. Bij toetsing zijn de verschillen in het DMFS-getal in 2002 en 2005 echter niet significant. Vergeleken met hun leeftijdsgenoten in 2002 heeft een hoger percentage 11-/12 jarige kinderen een gaaf blijvend gebit in 2005. Duidelijk is dat ook in deze leeftijdsgroep geen sprake is van een verslechtering van de gebitsgezondheid.
Conclusies
Het periodieke onderzoek in Den Haag in 2005 was mede bedoeld om de vraag te beantwoorden of zich tussen 2002 en 2005 veranderingen in de gebitsgezondheid bij de jeugd hebben voorgedaan. Immers, ‘het zou slechter gaan met de gebitten van de jeugd’. Op basis van de gevonden resultaten in 2005 kunnen wij concluderen dat de bevindingen in Den Haag het algemene gevoel dat het slechter gaat met het kindergebit (het melkgebit van de 5-/6-jarigen en het blijvend gebit van de 11-/12-jarigen) niet ondersteunen. Tegelijkertijd moet worden geconstateerd dat de afgelopen jaren in Den Haag ook geen wezenlijke verbeteringen in het gebitsgezondheid van 5-/6-jarigen in het lage milieu zijn bereikt. Nog steeds heeft in deze groep ongeveer 50% van de kinderen een ernstig carieus melkgebit.
Deze studie is mogelijk gemaakt door een subsidie van Suikerstichting Nederland te Baarn


