

Evidence based diëtetiek | november 2011
“Studenten Voeding & Diëtetiek leren meer dan onderzoeksvaardigheden in het Voedingslab.”
Aan de Hogeschool van Amsterdam leren diëtetiek-studenten evidence based handelen, met een loep voor reflectie in de hand.Interview met drs. L.D.A. (Leo) Steenwinkel
Als het gaat om de studenten aan de Hogeschool van Amsterdam, wanneer komen zij dan voor het eerst met protocollen in aanraking tijdens de opleiding?
“De eerste drie semesters van de opleiding zijn voor alle aan voeding gerelateerde studierichtingen hetzelfde; pas na anderhalf jaar beginnen we met differentiatie. Daarbij is het zo dat de studenten in de studierichting Nutrition & Dietetics de protocollen vaker en intensiever zullen tegenkomen, dan studenten in de richting Nutrition & Health Promotion. Die laatsten krijgen er slechts af en toe mee te maken. Ongetwijfeld komen de protocollen ook in die eerste anderhalf jaar aan bod, maar pas daarna gaat men er ook mee aan de slag. Voeding in zijn algemeenheid heeft de eerste anderhalf jaar dus de prioriteit, daarna gaan we differentiëren en specialiseren.
Overigens, sinds september 2011 zijn de protocollen ook digitaal ontsloten, en maken alle voedingstudierichtingen er in gezamenlijkheid gebruik van.”
Studenten aan het begin van hun carrière diëtetiek hebben nog een open blik op protocollen en het gebruik ervan. Hoort u, als opleidingsmanager Nutrition & Dietetics, terug wat studenten van protocollen vinden?
“Voordat men op stage gaat, valt wel eens het woord dwangbuis als het om protocollen gaat, maar als men eenmaal op stage is geweest, dan ervaart men protocollen toch vaak als praktisch. De praktijksituatie fungeert vaak als eyeopener. Komt men weer wat verder in de studie dan zegt men vaak dat protocollen goed zijn om te weten, maar dat men er een eigen invulling aan wil geven. Mijn indruk is dat men er vrij mee omgaat. Eigenlijk net als met de recepten in een kookboek; het is fijn dat alle ingrediënten en bereidingswijze er in staan, maar je geeft er al doende toch vaak je eigen draai aan.
Overigens is het ook afhankelijk van de specifieke stageplaats hoe de student met de protocollen leert omgaan. Zeker in een situatie waar men onderzoek pleegt, is het van groot belang om alles op precies voorgeschreven wijze te doen en is er weinig tot geen speelruimte voor eigen invulling. Kortom, protocollen maken deel uit van de basiskennis – hoe je ermee omgaat in de praktijk kan voor iedere student weer anders uitpakken.”
Op een gegeven moment studeert men af. Is de opleiding erop gericht dat men zich alle protocollen eigengemaakt heeft, of is het net als een bij een rijbewijs ‘dat je eigenlijk pas begint met leren autorijden, nadat je rijles hebt gehad en rijexamen hebt gedaan…’?
“Dat is verschillend. In principe heeft iedereen tijdens de opleiding van alle protocollen kennis genomen, maar hangt het van je stage af ‘of’ en ‘welke’ protocollen je paraat hebt. De volgorde is dat je eerst stage loopt en dan je afstudeeropdracht maakt. Bij die laatste opdracht hoef je niet persé met protocollen te maken te krijgen. Vervolgens kan het gebruik van protocollen op het moment van afstuderen dus iets langer geleden zijn, en zal je er in de beroepspraktijk opnieuw mee aan de slag (moeten leren) gaan. Het gaat dus zowel om de route die je op weg naar het afstuderen volgt, je persoonlijke belangstelling én wat je stage van je vraagt. Nogmaals, als je in een ziekenhuis of particuliere praktijk stage hebt gelopen, heb je wat betreft het gebruik van protocollen vaak wel een voorsprong.”
In 2008 is het nieuwe lectoraat Gewichtsmanagement gelanceerd op de Hogeschool van Amsterdam. Eén van de hoofddoelen was om het vak gewichtsmanagement verder te professionaliseren. Is men daarin geslaagd, denkt u?
“Dat brengt het Beoordelingsrapport van de Accreditatiecommissie precies in kaart [bij het verschijnen van deze nieuwsbrief is het rapport nog in concept – red.].
Tegelijk met het lectoraat gewichtsmanagement, dat momenteel bekleed wordt door dr.ir. Peter Weijs, zijn we ook gestart met het Voedingslab. Hier hebben we de meest professionele apparatuur staan om lichaamsmetingen te doen, en daar wordt veel gebruik van gemaakt. We krijgen veel vragen om onderzoek te doen. Ook hebben we nauw contact met een naburige diëtistenpraktijk. We doen dan ook veel onderzoek met mensen uit de wijk, om te kijken wat lifestyle interventies (voeding, beweging en omgeving) met hen doen. Wij kunnen laten zien wat wel en wat niet werkt. Voor zowel studenten en docenten is het de ultieme omgeving om te leren hoe men zich in onderzoek zou moeten opstellen en welke eisen men zichzelf moet stellen; alles om goede uitspraken te kunnen doen. Hier wordt deskundigheid gevolgd, beoordeeld en waar nodig aangevuld. Dat heeft ons, zes jaar na de eerste accreditatieronde, een compliment van de beoordelingscommissie opgeleverd.
Ons Voedingslab is in korte tijd uitgegroeid tot een hooggewaardeerde onderzoeksomgeving, van waaruit de resultaten ook internationaal gepubliceerd worden. Dit gebeurt zowel door docenten als studenten die, door goede constructieve bijdragen te leveren, ook door ons gestimuleerd worden om in de internationale onderzoekswereld rond te gaan kijken. Studenten leren bij ons om onderzoeksvaardigheden te ontwikkelen en om evidence based te handelen. De meerwaarde is dat men kan meewerken aan uitdagende onderzoeksprogramma’s.”
Protocollen voor diëtisten in wording: helemaal het einde, of toch slechts het begin…?
“Doordat wij leren en studeren in een omgeving waarin wij kunnen onderzoeken of een protocol, richtlijn of behandeling ook daadwerkelijk werkt, zijn protocollen voor studenten in de eerste plaats een leidraad bij hun eigen professioneel handelen. Denk ik in de goede richting? Waarom twijfel ik? Dat is per situatie verschillend. Daarom is het belangrijk om altijd kritisch te blijven over je eigen professioneel handelen. Dat is ook wat de opleiding leert: evidence based handelen met een loep voor reflectie in de hand.”
“De eerste drie semesters van de opleiding zijn voor alle aan voeding gerelateerde studierichtingen hetzelfde; pas na anderhalf jaar beginnen we met differentiatie. Daarbij is het zo dat de studenten in de studierichting Nutrition & Dietetics de protocollen vaker en intensiever zullen tegenkomen, dan studenten in de richting Nutrition & Health Promotion. Die laatsten krijgen er slechts af en toe mee te maken. Ongetwijfeld komen de protocollen ook in die eerste anderhalf jaar aan bod, maar pas daarna gaat men er ook mee aan de slag. Voeding in zijn algemeenheid heeft de eerste anderhalf jaar dus de prioriteit, daarna gaan we differentiëren en specialiseren.
Overigens, sinds september 2011 zijn de protocollen ook digitaal ontsloten, en maken alle voedingstudierichtingen er in gezamenlijkheid gebruik van.”
Studenten aan het begin van hun carrière diëtetiek hebben nog een open blik op protocollen en het gebruik ervan. Hoort u, als opleidingsmanager Nutrition & Dietetics, terug wat studenten van protocollen vinden?
“Voordat men op stage gaat, valt wel eens het woord dwangbuis als het om protocollen gaat, maar als men eenmaal op stage is geweest, dan ervaart men protocollen toch vaak als praktisch. De praktijksituatie fungeert vaak als eyeopener. Komt men weer wat verder in de studie dan zegt men vaak dat protocollen goed zijn om te weten, maar dat men er een eigen invulling aan wil geven. Mijn indruk is dat men er vrij mee omgaat. Eigenlijk net als met de recepten in een kookboek; het is fijn dat alle ingrediënten en bereidingswijze er in staan, maar je geeft er al doende toch vaak je eigen draai aan.
Overigens is het ook afhankelijk van de specifieke stageplaats hoe de student met de protocollen leert omgaan. Zeker in een situatie waar men onderzoek pleegt, is het van groot belang om alles op precies voorgeschreven wijze te doen en is er weinig tot geen speelruimte voor eigen invulling. Kortom, protocollen maken deel uit van de basiskennis – hoe je ermee omgaat in de praktijk kan voor iedere student weer anders uitpakken.”
Op een gegeven moment studeert men af. Is de opleiding erop gericht dat men zich alle protocollen eigengemaakt heeft, of is het net als een bij een rijbewijs ‘dat je eigenlijk pas begint met leren autorijden, nadat je rijles hebt gehad en rijexamen hebt gedaan…’?
“Dat is verschillend. In principe heeft iedereen tijdens de opleiding van alle protocollen kennis genomen, maar hangt het van je stage af ‘of’ en ‘welke’ protocollen je paraat hebt. De volgorde is dat je eerst stage loopt en dan je afstudeeropdracht maakt. Bij die laatste opdracht hoef je niet persé met protocollen te maken te krijgen. Vervolgens kan het gebruik van protocollen op het moment van afstuderen dus iets langer geleden zijn, en zal je er in de beroepspraktijk opnieuw mee aan de slag (moeten leren) gaan. Het gaat dus zowel om de route die je op weg naar het afstuderen volgt, je persoonlijke belangstelling én wat je stage van je vraagt. Nogmaals, als je in een ziekenhuis of particuliere praktijk stage hebt gelopen, heb je wat betreft het gebruik van protocollen vaak wel een voorsprong.”
In 2008 is het nieuwe lectoraat Gewichtsmanagement gelanceerd op de Hogeschool van Amsterdam. Eén van de hoofddoelen was om het vak gewichtsmanagement verder te professionaliseren. Is men daarin geslaagd, denkt u?
“Dat brengt het Beoordelingsrapport van de Accreditatiecommissie precies in kaart [bij het verschijnen van deze nieuwsbrief is het rapport nog in concept – red.].
Tegelijk met het lectoraat gewichtsmanagement, dat momenteel bekleed wordt door dr.ir. Peter Weijs, zijn we ook gestart met het Voedingslab. Hier hebben we de meest professionele apparatuur staan om lichaamsmetingen te doen, en daar wordt veel gebruik van gemaakt. We krijgen veel vragen om onderzoek te doen. Ook hebben we nauw contact met een naburige diëtistenpraktijk. We doen dan ook veel onderzoek met mensen uit de wijk, om te kijken wat lifestyle interventies (voeding, beweging en omgeving) met hen doen. Wij kunnen laten zien wat wel en wat niet werkt. Voor zowel studenten en docenten is het de ultieme omgeving om te leren hoe men zich in onderzoek zou moeten opstellen en welke eisen men zichzelf moet stellen; alles om goede uitspraken te kunnen doen. Hier wordt deskundigheid gevolgd, beoordeeld en waar nodig aangevuld. Dat heeft ons, zes jaar na de eerste accreditatieronde, een compliment van de beoordelingscommissie opgeleverd.
Ons Voedingslab is in korte tijd uitgegroeid tot een hooggewaardeerde onderzoeksomgeving, van waaruit de resultaten ook internationaal gepubliceerd worden. Dit gebeurt zowel door docenten als studenten die, door goede constructieve bijdragen te leveren, ook door ons gestimuleerd worden om in de internationale onderzoekswereld rond te gaan kijken. Studenten leren bij ons om onderzoeksvaardigheden te ontwikkelen en om evidence based te handelen. De meerwaarde is dat men kan meewerken aan uitdagende onderzoeksprogramma’s.”
Protocollen voor diëtisten in wording: helemaal het einde, of toch slechts het begin…?
“Doordat wij leren en studeren in een omgeving waarin wij kunnen onderzoeken of een protocol, richtlijn of behandeling ook daadwerkelijk werkt, zijn protocollen voor studenten in de eerste plaats een leidraad bij hun eigen professioneel handelen. Denk ik in de goede richting? Waarom twijfel ik? Dat is per situatie verschillend. Daarom is het belangrijk om altijd kritisch te blijven over je eigen professioneel handelen. Dat is ook wat de opleiding leert: evidence based handelen met een loep voor reflectie in de hand.”
Nieuwsbrief inhoudsopgave
Kort nieuws
Nieuws aanmelden
Wellicht heeft u zelf een nieuwtje dat in aanmerking komt voor plaatsing in deze rubriek? Mailt u ons op info@suikerstichting.nl.


