home
RSS feeds
Supplement International Journal of Obesity | november 2006

Interview: prof.dr.ir. Saris

Prof. dr. ir. W.H.M. Saris was in april jongstleden één van de twee voorzitters van de workshop. Ter gelegenheid van deze nieuwsbrief hebben we hem gevraagd te reflecteren op de workshop.

Wim Saris is hoogleraar Humane Voeding aan Universiteit Maastricht en part-time Corporate Scientist Human Nutrition bij DSM. Zijn onderzoek richt zich op de energie- en substraathuishouding onder verschillende omstandigheden zoals bij lichamelijke inspanning in atleten en bij ziektebeelden zoals diabetes en obesitas.

Wat beschouwde u als de grootste uitdaging toen u aan de workshop begon?
“De uitdaging was tweeërlei. Ten eerste wilden mijn collega-voorzitter, de organisatie en ik zorgen voor goede en scherpe discussies. En ten tweede wilden we de discussies ‘netjes’ houden. Daarmee bedoel ik dat je in een discussie als over de Glycemische Index (GI) bijzonder felle voor- en tegenstanders hebt. Hierbij is het van het grootste belang om de discussie in goede banen te leiden. Dus wel tot op het bot gaan, maar altijd positief blijven. Enerzijds de onderste steen boven halen, maar anderzijds zorgen dat er – figuurlijk gesproken - niet mee gegooid wordt over en weer.”


Foto: Prof. dr. Gary D. Foster en Prof. dr. Wim H.M. Saris, MD,

voorzitters tijdens de workshop


In de workshop stond de mogelijke invloed van suikers op het ontstaan van overgewicht centraal. Er waren drie onderwerpen, wat waren de belangrijkste conclusies?
“Eerste onderwerp van de workshop was de optimale verhouding van macronutriënten in relatie tot gewichtsregulatie. In de discussie rond dit onderwerp zijn geen nieuwe standpunten naar voren gekomen. Wel kunnen we zeggen dat het allemaal om energie draait en niet zozeer om welk macronutriënt die energie nou specifiek levert. Om het simpel te stellen: ‘een calorie is een calorie’. Wat betreft vet zijn de standpunten wel helderder geformuleerd. De kans op extra energie inname is het grootst met vet. In de discussie is dan ook veel gesproken over het benadrukken van de gezondheidsrisico’s van overmatige vetconsumptie en het stimuleren van het gebruik van de juiste vetten. Tenslotte is er ook meer informatie boven tafel gekomen over eiwit en dan met name over het verzadigingsaspect. Tot zover het eerste onderwerp.”

“Het tweede onderwerp - frisdranken in relatie tot overgewicht - hebben we breder getrokken. Het ging in de discussies in feite niet zozeer om frisdranken maar om energie opgelost in water, bijvoorbeeld zoals in vruchtensappen en ook sportdranken. Bij deze dranken maakt het voor de verzadiging niet uit welke macronutriënten de energie leveren. Het gaat om vloeibaar versus vast voedsel, waarbij de vloeibaarheid een relatie heeft tot verzadiging en dus tot overgewicht. Het klassieke voorbeeld hierbij is de gemeten verzadiging van het eten van een appel in stukjes (hoog), appelsap gelepeld als soep (middel) en appelsap gedronken (lage verzadigingsgraad). Een appel is een appel maar het voedingsmedium blijkt bepalend voor de verzadiging.”

“Ten slotte kwamen de Glycemische index (GI) en Glycemische load (GL) aan bod. Deze blijken zeker een rol te spelen bij het ontstaan van metabole ziekten. Alleen hoe bepaal je de GI/GL? Wat doe je ermee in de praktijk? Hoe vertaal je dit concept naar de consument? Deze praktijkvraag wordt steeds prangender. Zelf ben ik betrokken bij DIOGENES, een Europees onderzoek dat loopt in acht verschillende landen. Ook uit dit onderzoek blijkt dat de GI in de praktijk een heel erg groot probleem is, en dat de oplossing nog niet in zicht is.”

Een zestal vooraanstaande voedingswetenschappers heeft voorafgaand aan de workshop een paper geschreven. Zes andere vooraanstaande voedingswetenschappers kregen de kans op de zes papers te reageren. Alleen het onderwerp stond van tevoren vast, de inhoud werd aan de betreffende schrijvers overgelaten. Het is een gewaagde opzet, waarom is hiervoor gekozen?
“Ik heb deze werkwijze in het verleden een keer in Amerika meegemaakt. Het beviel me zo goed dat ik het eigenlijk daarom heb overgenomen. Allereerst werd er tijdens de workshop een paper besproken, daarna mocht de discussiant er 15 minuten vrij op schieten en beide standpunten vormden de start van een discussie in de gehele groep. Het voordeel was dat de moeilijke punten meteen ter tafel kwamen. Dit concept werkte uitstekend. Een risico is wellicht dat het ook uit de hand kan lopen, dat het een soort ‘welles-nietes spel’ wordt. Maar dat was hier niet het geval. Integendeel.”


Foto: discussie tijdens de workshop


Uit de discussies tijdens de workshop bleek dat de relatie tussen frisdranken en overgewicht een stuk genuanceerder is dan tot nu toe altijd is beweerd. Kunt u hier iets meer over vertellen?
“In de bestaande vakliteratuur zie je wel aanwijzingen dat (overmatig) frisdrankgebruik kan leiden tot overgewicht. Dat geldt zeker in de situatie van inactiviteit. Maar er zijn geen uitgebreide gecontroleerde trials gedaan en er is nog geen sluitend wetenschappelijk bewijs. Desondanks is het ook niet verstandig om te zeggen van ‘er is nog geen bewijs dat het slecht is, en dus blijven we lekker doordrinken…’ De nuance is als volgt: dranken met energie hebben allemaal hetzelfde effect op verzadiging en overgewicht. Dus frisdranken, sportdranken én vruchtensappen zouden allemaal met mate gedronken moeten worden tenzij de lichamelijke activiteit, bijvoorbeeld via sport, voldoende is. De komende jaren zou de voedingsmiddelenindustrie (zeker in de VS) haar inspanningen en focus daarop moeten aanpassen. Namelijk op het ontwikkelen van een laagcalorisch alternatief. Die zijn er natuurlijk wel al en die winnen ook in marktaandeel. Maar met name voor kinderen is er nog geen goed alternatief. Kinderen zouden wel ‘light’-dranken kunnen drinken maar de consument wil het niet. Zoetstof bij kinderen kan wel maar daar is nog geen duidelijkheid over. Wat is het alternatief? Water is sowieso heel belangrijk voor kinderen. Maar de praktijk leert dat als een drankje niet zoet is, kinderen het niet willen drinken. Toch denk ik dat water en mineraalwater aanbieden een deel van de oplossing zou kunnen zijn. Ik denk dat op dit gebied de komende jaren een belangrijk speerpunt in de innovatie binnen de voedingsmiddelenindustrie komt te liggen. Waar komen de fabrikanten mee? Een laagcalorisch alternatief, met eventueel een fractie eiwit erin voor de verzadiging? Veel fabrikanten zijn er mee bezig maar een oplossing is er nog niet.”

De resultaten van de workshop worden in december gepubliceerd in een supplement van het toonaangevende International Journal of Obesity. Wat zou volgens u de volgende stap voor de voedingswetenschap kunnen zijn?
“Ten eerste denk ik dat men er toch aan moet werken om eindelijk eens helder te krijgen hoe het precies met de frisdranken zit. Hoe belangrijk zijn zij in relatie tot overgewicht? Een punt wat daar uit voortvloeit is om te bekijken wat de alternatieven voor frisdranken zouden kunnen zijn. Daarmee hangt ook mijn derde punt samen: men zou toch echt moeten onderzoeken hoe eiwit daar een rol van betekenis in zou kunnen spelen. Eigenlijk dus drie stappen in plaats van één. Want hoewel we ook door de workshop ‘Simple carbohydrates and Obesity. Facts, Fictions and Future’ zeker een flink eind verder zijn gekomen, er is zowel aan de kant van de wetenschap als aan de kant van de industrie nog een hoop werk te doen.”