

Glycemische Index | mei 2007
Glycemische index: enkele achtergronden
De glycemische index is een maat voor de snelheid waarmee de bloedglucosespiegel stijgt na het gebruik van koolhydraten over een periode van twee uur. Dit effect wordt ook wel ’postprandiale glycemische respons’ genoemd.De glycemische index wordt gedefinieerd als de toename in de oppervlakte onder
de curve van de bloedglucosespiegel na consumptie van een voedingsmiddel met
50 gram koolhydraten uitgedrukt in percentage ten opzichte van 50 gram koolhydraten
in een referentie voedingsmiddel (GI = 100). In de regel is het referentie
voedingsmiddel glucose of wit brood. De glycemische index beoogt een fysiologische
basis te verschaffen om voedingsmiddelen in te delen naar het postprandiale
effect op de bloedglucosespiegel, dus niet naar de hoeveelheid koolhydraten.
Hoge glycemische index versus lage glycemische index
Voedingsmiddelen met een lage glycemische index leiden binnen 2 uur na consumptie tot een relatief lage bloedglucoserespons, dat wil zeggen een langzame stijging gevolgd door een langzame daling. Producten met een hoge glycemische index geven een relatief hoge respons; een snelle stijging gevolgd door een snelle daling (GR overgewicht); zie figuur 1.
De glycemische waarden van de tot nu toe bekende voedingsmiddelen variëren enorm. Over het algemeen worden voedingsmiddelen als volgt ingedeeld:
Het concept van de glycemische index maakt het mogelijk om voedingsmiddelen die vanuit voedingkundig oogpunt tot dezelfde categorie behoren met elkaar te vergelijken, bijv. rijst, aardappelen en pasta’s.
Welke factoren spelen een rol bij de Glycemische Index?
De glycemische index van een voedingsmiddel wordt bepaald door een groot aantal factoren. De belangrijkste zijn het type koolhydraten en fysische factoren die de snelheid van de spijsvertering(senzymen) beïnvloeden. Dit maakt dat er binnen eenzelfde productgroep een grote variatie in indices kan bestaan. De factoren die van invloed zijn op de GI zijn:
Het concept van de glycemische index werd in 1981 geïntroduceerd door Amerikaanse wetenschappers als dieetconcept bij de behandeling van diabetes mellitus type 1. Later werd het toepassingsgebied van de glycemische index uitgebreid naar aan voeding gerelateerde chronische aandoeningen zoals hart- en vaatziekten, metabool syndroom, diabetes mellitus type 2 en overgewicht. Idee hierachter is dat laag-glycemische voedingen fluctuaties in de bloedglucose zoveel mogelijk voorkomen om zodoende metabole parameters behorende bij deze chronische ziekten zo gunstig mogelijk te beïnvloeden.
De onderzoeken die zijn uitgevoerd naar de relatie tussen glycemische index en deze chronische aandoeningen zijn tot op heden echter niet eenduidig en vaak betreft het korte termijn onderzoeken. Om betrouwbare uitspraken te kunnen doen, zijn meer lange termijn onderzoeken noodzakelijk.
Hoge glycemische index versus lage glycemische index
Voedingsmiddelen met een lage glycemische index leiden binnen 2 uur na consumptie tot een relatief lage bloedglucoserespons, dat wil zeggen een langzame stijging gevolgd door een langzame daling. Producten met een hoge glycemische index geven een relatief hoge respons; een snelle stijging gevolgd door een snelle daling (GR overgewicht); zie figuur 1.
|
De glycemische waarden van de tot nu toe bekende voedingsmiddelen variëren enorm. Over het algemeen worden voedingsmiddelen als volgt ingedeeld:
| laag : < 55 | |
| matig : >55 - <70 | |
| hoog : > 70 |
Het concept van de glycemische index maakt het mogelijk om voedingsmiddelen die vanuit voedingkundig oogpunt tot dezelfde categorie behoren met elkaar te vergelijken, bijv. rijst, aardappelen en pasta’s.
Welke factoren spelen een rol bij de Glycemische Index?
De glycemische index van een voedingsmiddel wordt bepaald door een groot aantal factoren. De belangrijkste zijn het type koolhydraten en fysische factoren die de snelheid van de spijsvertering(senzymen) beïnvloeden. Dit maakt dat er binnen eenzelfde productgroep een grote variatie in indices kan bestaan. De factoren die van invloed zijn op de GI zijn:
- type koolhydraten (zetmelen, soort suikers)
- samenstelling en fysische eigenschappen van product (o.a. vezels, vetten, structuur, temperatuur)
- bio-beschikbaarheid van zetmeel (chemische structuur zetmeel)
- bewerking en/of bereiding van product (o.a. bewaren, rijpen, koken, snijden, malen)
- individuele factoren (o.a. gastro-intestinale motiliteit, insulinegevoeligheid, fysieke activiteit)
Het concept van de glycemische index werd in 1981 geïntroduceerd door Amerikaanse wetenschappers als dieetconcept bij de behandeling van diabetes mellitus type 1. Later werd het toepassingsgebied van de glycemische index uitgebreid naar aan voeding gerelateerde chronische aandoeningen zoals hart- en vaatziekten, metabool syndroom, diabetes mellitus type 2 en overgewicht. Idee hierachter is dat laag-glycemische voedingen fluctuaties in de bloedglucose zoveel mogelijk voorkomen om zodoende metabole parameters behorende bij deze chronische ziekten zo gunstig mogelijk te beïnvloeden.
De onderzoeken die zijn uitgevoerd naar de relatie tussen glycemische index en deze chronische aandoeningen zijn tot op heden echter niet eenduidig en vaak betreft het korte termijn onderzoeken. Om betrouwbare uitspraken te kunnen doen, zijn meer lange termijn onderzoeken noodzakelijk.
|



