home
RSS feeds
Glycemische Index | mei 2007

"Diogenes zal ons helpen een beter inzicht te krijgen in de GI"

Dr. Marleen Van Baak is sinds 1979 verbonden aan de Universiteit Maastricht. In 1996 werd zij Universitair Hoofddocent bij de vakgroep Humane Biologie. Ze heeft meer dan 100 artikelen in peer-reviewed tijdschriften gepubliceerd. Op dit moment gaat haar grootste interesse uit naar het ontstaan, preventie en behandeling van obesitas. Sinds 2000 is zij secretaris van de European Association for the Study of Obesity (EASO). Op 1 februari 2007 werd zij benoemd tot Bijzonder Hoogleraar 'Fysiologie van Obesitas' aan de vakgroep Humane Biologie van de Universiteit Maastricht.

Marleen van Baak is door haar betrokkenheid bij het pan-Europese onderzoek Diogenes bijzonder geïnteresseerd in het glycemische index-concept. De uitkomsten van Diogenes zullen onder andere meer inzicht in de werking en effecten van het GI-concept moeten bieden. Maar voordat het zo ver is…


De innovatieve en multidisciplinaire studie Diogenes (voluit: Diet, Obesity and Genes) is in de eerste plaats opgezet om meer inzicht te geven in de rol van voeding in de aetiologie van obesitas. Mogelijk zullen zodoende antwoorden gevonden worden op de vraag hoe obesitas voorkomen en behandeld kan worden vanuit voedingsperspectief. Het Diogenes onderzoek is gestart in 2005, duurt in totaal 5 jaar en wordt uitgevoerd door 29 toponderzoeksinstituten in Europa op het gebied van voedings- en gezondheidsonderzoek, gedrag, epidemiologie, genetica en voedingsmiddelentechnologie.

De Nederlanders worden alsmaar dikker, zo blijkt uit de laatste cijfers van het CBS (maart 2007). Welke taak dicht u zichzelf toe als Bijzonder Hoogleraar ‘Fysiologie van Obesitas’ om deze trend te keren?
”Het zou wel heel aanmatigend zijn, om te denken dat ik als hoogleraar die trend zou kunnen keren. Maar ik zie het wel als mijn taak om te zorgen dat op mijn expertiseterrein zoveel mogelijk wetenschappelijke kennis verzameld wordt over de oorzaak van obesitas. De fysiologische basis van obesitas, dat is mijn gebied. Ik houd me bezig met de vraag waarom sommige mensen obesitas ontwikkelen en anderen niet. Mijn onderzoek spitst zich toe op de fysiologische mechanismen die ten grondslag liggen aan obesitas: reageren mensen die overgewicht ontwikkelen/hebben anders op bepaalde prikkels, zoals voeding, beweging of omgevingstemperatuur? En kan dat verklaren waarom sommige mensen sneller dik worden dan anderen? Een andere vraag is hoe je met voeding en beweging obesitas kunt bestrijden. Welke aanpassingen in het voedings- en bewegingspatroon zijn het meest effectief? Maar ik ben ook geïnteresseerd in wat er verandert in het systeem van mensen die obesitas hebben, waardoor ze hart- en vaatziekten of diabetes ontwikkelen.”

Overgewicht en obesitas zouden mogelijk voorkomen kunnen worden door middel van een voeding met een lage glycemische index. Wat is uw visie op de toepassing van het GI-concept bij de preventie van deze en andere chronische aandoeningen?
”Ik heb daar nog niet echt een visie op, aangezien ik er nog niet van overtuigd ben dat het werkt. Daarom doen we in feite ook het onderzoek. Er zitten aan het onderzoek twee aspecten, die het extra ingewikkeld maken. In de eerste plaats weten we nog te weinig over het effect van de glycemische index (voortaan GI) op de gezondheid. Bij mensen met diabetes zorgt een voeding met een lage GI voor een betere regulatie van de bloedglucosespiegel. Er zijn onderzoekers die denken dat de GI bij gewichtsregulering een belangrijke rol speelt, maar het bewijs is er mijns inziens nog niet. Dat proberen we in het Diogenes-project verder uit te zoeken. Aan de andere kant is er het praktische aspect. De GI is een ingewikkeld concept waarbij nog veel onduidelijkheid over de praktische toepassing bestaat. Bovendien zijn van veel producten de GI-waarden niet gemeten. In het Diogenes-onderzoek baseren we ons op GI-waarden in de internationale tabel (Brand-Miller, AJCN 2002) en gegevens van producenten waar beschikbaar. Wat lastig is, is dat veel gebruikelijke voedingsmiddelen niet in die tabel staan en dat de GI-waarden in de tabel de ene keer gebaseerd zijn op Amerikaanse gegevens, dan weer op Australische gegevens. Soms blijkt dat (ogenschijnlijk) hetzelfde product in verschillende landen een andere samenstelling kan hebben. Verder kan ook de bereidingswijze van een voedingsmiddel de GI beïnvloeden. Bovendien kun je je twijfels hebben over de kwaliteit van de GI gegevens waarop wij ons op dit moment moeten baseren. Het blijft een beetje rijp en groen door elkaar. Nog afgezien van de spraakverwarring over wat GI nu precies is. Soms spreken onderzoekers over GI en dan bedoelen ze Glycemic Load, een combinatie van de GI en de hoeveelheid koolhydraten. We proberen dat onderscheid in Diogenes trouwens wel mee te nemen.”

U coördineert de Nederlandse bijdrage aan het onderzoeksproject Diogenes van de Europese Unie. Kunt u hier iets meer over vertellen en wanneer zijn naar verwachting de resultaten bekend?
”De vraagstelling van de dieetinterventie is ‘Kun je door middel van het manipuleren van het eiwitgehalte en GI van de dagelijkse voeding invloed uitoefenen op gewichtsstijging?’ en ‘Kun je zo gewichtsstijging voorkomen?’ Dat is eigenlijk de kern van ons deelonderzoek, hier in Maastricht. Nu is het heel moeilijk om in een gewone populatie door de jaren heen gewichtstoename te voorkomen, want de stijging gaat maar heel langzaam (in Nederland gemiddeld 0,6 kg per jaar). Reken maar uit hoeveel mensen je nodig hebt voordat je daar iets significants over kunt zeggen. We zijn uitgegaan van mensen die al overgewicht hebben, die laten we afvallen met een energiebeperkt dieet. Daarvan weet je dat het prima werkt. Mensen die zijn afgevallen hebben de neiging om weer aan te komen. Je brengt die mensen dus in een situatie waarin ze gevoelig zijn voor gewichtsstijging. De deelnemers zetten we vervolgens op verschillende diëten met verschillende eiwitgehaltes en GI-waarden. Over een periode van een half jaar tot een jaar kijken we of er inderdaad verschillen te zien zijn in gewichtstoename. Het bijzondere van Diogenes is ook dat het een gezinsbenadering betreft. Ons uitgangspunt is, wil je een langdurige voedingsinterventie doen, dan moet je het hele gezin te laten meedoen, anders werkt het niet. Een enkele persoon gaat niet een jaar lang voor zichzelf een ander potje koken. Mensen blijken enorm gemotiveerd om mee te doen. We laten ze ook zien dat het belangrijk is om na gewichtsverlies het nieuwe gewicht te handhaven. Ze krijgen daarbij begeleiding van een diëtist. De deelnemers zijn geleidelijk ingestroomd. Februari/maart 2006 zijn we met de eerste mensen begonnen, de laatste deelnemers zijn nu aan het einde van hun 6 maanden begeleide dieetperiode. Ons onderzoek naar dieetinterventie loopt door tot eind van dit jaar. Dan zullen de data allemaal geanalyseerd moeten worden. In de loop van 2008 zullen de eerste gegevens naar buiten komen.”

In Diogenes wordt onder meer gekeken naar het effect van de glycemische index op gewichtsregulatie. Wat verwacht u te vinden?
”De hypothese is dat een voeding met een lage GI het beter zal doen dan met een hoge index. Het effect van eiwit daarbij? Daar zijn wel gegevens over, maar allemaal uit korter durende studies. En daaruit blijkt toch wel dat een hoge eiwitvoeding een betere gewichtshandhaving sorteert dan een hoge koolhydraatvoeding. De vraag die in ons onderzoek beantwoord wordt, is of dat ook op langere termijn zo is. Na een jaar is er nog een follow-up. Het probleem met veel dieetstudies is, dat mensen denken dat ze weer op de oude voet kunnen verder gaan als ze ‘klaar’ zijn met hun dieet. De meeste kans op succes is echter wanneer de nieuwe voedingsgewoonten in het dagelijkse programma ingepast kunnen worden als zijnde ‘gewoon’. Bij dit onderzoek gaat het vooral om beperkte, maar blijvende veranderingen in het dagelijkse voedingspatroon en niet om een strikt dieet. De meeste mensen vinden het prima vol te houden.”

Op verschillende voedingsmiddelen is informatie te vinden over de glycemische index. In tegenstelling tot in Australië leeft het voedingsconcept niet in ons land. Wat is volgens u de toegevoegde waarde van dergelijke productinformatie voor de Nederlandse consument?
”Ik weet niet precies hoe men het in Australië heeft aangepakt. Zij hebben al veel onderzoek gedaan, en hebben positieve effecten aangetoond van een lage GI-voeding op risico voor diabetes en hart- en vaatziekten. Het gaat hier vaak wel om gecontroleerde laboratoriumsituaties. Daarnaast zijn onze producten en productranges anders dan in Australië. Dat kan er toe leiden dat de impact van een lage GI-voeding hier anders is dan daar. Vergelijk ook maar eens de portiegroottes en toevoegingen aan allerlei producten die heel verschillend kunnen zijn. Maar toch, zolang de producenten minder gezonde producten blijven produceren zullen de mensen ze blijven kopen. Want zolang bijvoorbeeld overmatig gezoete ontbijtgranen appelleren aan onze smaak, zullen we ze blijven eten. Je zou eigenlijk willen dat bedrijven zelf bedenken dit soort producten van de markt te halen. Maar ja, dan is er de angst dat een ander weer in dat ontstane gat in de markt springt. Jammer dat het zo werkt. Je zult mensen dus moeten leren verstandigere keuzes te maken. In ons onderzoek zie je dat ouders op een gegeven moment verstandige keuzes gaan maken omtrent bijvoorbeeld snoep. Dan laten ouders hun kinderen samen 1 reep delen in plaats van alle kinderen 1 of 2 repen voor zichzelf aan te bieden. Als ze dat kunnen volhouden… En inderdaad, tot nog toe zien we nog niet dat de GI echt leeft onder onze deelnemers.”

Ten slotte, heeft het glycemische index-concept na Diogenes misschien toch een toekomst in Nederland?
“We moeten eerst zien of het ons is gelukt een verschil tussen hoog en laag GI in de praktijk te bereiken. Ten tweede moeten we afwachten of we (verschillende) effecten zien op gewicht en risico voor hart- en vaatziekten en diabetes. Tot de resultaten bekend zijn, durf ik daar nog niets over te zeggen. Daarna kun je pas gaan nadenken over de vertaling van de onderzoeksresultaten naar de praktijk. Dat is een studie op zich. We moeten vervolgens ook gaan bepalen wat een effectieve strategie zou zijn. Wijst het onderzoek bijvoorbeeld uit dat met name het verlagen van de hoeveelheid koolhydraten van belang is en dat het niet zo veel uitmaakt wat voor soort koolhydraten het zijn? Of is het effectiever om bij een gangbare hoeveelheid koolhydraten de GI te verlagen? Dat zijn twee verschillende lijnen die ook nog eens door elkaar heenlopen.

Ten slotte denk ik, wat de uitkomst van Diogenes ook zal zijn, dat het GI-concept sowieso ontzettend lastig is voor consumenten. Maar als het GI-concept wel degelijk zou werken (je gaat minder eten doordat je minder honger hebt) en de totale bevolking zou het concept gaan gebruiken, dan zou er minder overgewicht zijn. Misschien een aangepaste Schijf van Vijf met vooral lage GI-producten erin? Je moet uiteindelijk naar producten toe, de glycemische index op zich is immers zo iets abstracts. De industrie zou zich dan kunnen richten op producten met een lage GI. Maar laten we eerst de resultaten van het onderzoek afwachten.”