

Kennis door onderzoek | november 2007
“Voorzichtigheid geboden bij generalisaties toestand kindergebitten.”
Elke drie jaar onderzoekt prof.dr. G.J. Truin, hoogleraar preventieve en curatieve tandheelkunde aan de Universiteit van Nijmegen de prevalentie van tandcariës bij schoolkinderen in Den Haag. De eerste edities van dit onderzoek gaan terug tot in het jaar 1969. Mooi materiaal om trendanalyses van te maken, met als centrale vraagstelling: is de trend inderdaad dat kindergebitten steeds slechter lijken te worden?In 2005 heeft u opnieuw een tandheelkundig klinisch onderzoek1 gedaan naar de prevalentie van tandcariës bij 6- en 12-jarige schoolkinderen in Den Haag. Wat was voor u de belangrijkste aanleiding om dit onderzoek te doen?
” Van een directe aanleiding was er eigenlijk geen sprake, want ons onderzoek is in feite een driejaarlijkse monitoring van de actuele situatie. In 2008 gaan we dan ook wederom naar Den Haag. In samenspraak met de gemeente en de GGD doen wij ons onderzoek en met de resultaten kunnen deze partners gericht risicovolle groepen benaderen. Wat in 2005 zeker op de achtergrond meespeelde was de media-aandacht voor de veronderstelling dat kindergebitten weer slechter zouden zijn geworden. Aanleiding voor al deze reacties vormde het verschijnen van het rapport “Signalement Mondzorg 2004”’ van het College voor Zorgverzekeringen. De auteurs van het rapport concludeerden dat in 2003 het DMFS-getal (red. Decayed Missing Filled Surfaces) bij de 9- en 21-jarigen verder was afgenomen in vergelijking met 1996-1997 en bij de 15-jarigen gelijk was gebleven. De restauratieve verzorgingsgraag was echter verder afgenomen, waardoor het aantal onbehandelde caviteiten bij de 15- en 21-jarigen was toegenomen. ”
U heeft in uw onderzoek niet alleen gekeken naar cariës maar ook naar de prevalentie van tanderosie bij 6- en 12-jarigen. Wat zijn uw bevindingen?
“Bij cariës zien we zeker een stabilisering, het gaat dus niet slechter maar ook niet echt beter. Dat komt doordat er bij de midden en hogere niveaus nog maar weinig winst is te behalen. Die kinderen poetsen al regelmatig en bezoeken een tandarts. De rest van de kinderen is moeilijk te bereiken. Daar zou je nog wel winst kunnen behalen ten aanzien van cariës, bijvoorbeeld door gerichte poetsvoorlichting e.d. maar de inspanning weegt helaas niet op tegen de resultaten.
Wat erosie betreft, daar zien we bij 20-25% van de kinderen – verspreid over alle milieus – symptomen die duiden op het beginstadium van tanderosie. Als die kinderen ouder worden, dan zouden de symptomen in theorie moeten toenemen, het is immers een onomkeerbaar proces. In het beste geval kun je tanderosie tot staan brengen. Het enige wat je dan ook kunt doen is de betrokkenen attent maken op de oorzaken van tanderosie. Dus opletten op de frequentie waarmee je zuren tot je neemt. Dat kan om frisdrank gaan, maar zeker ook om vruchtensappen of zuur fruit. Overigens blijft dit wel een lastig thema aangezien niet iedereen die veel en vaak zuur nuttigt, ook tanderosie blijkt te ontwikkelen...”
Uit uw studie blijkt verder dat de verzorgingsgraad aanzienlijk is afgenomen, vooral bij de jeugd met een blijvend gebit. Voor de toekomst lijkt dit een zorgwekkende ontwikkeling. Wat is eigenlijk de reden dat er zo weinig gerestaureerd blijkt te worden?
“Het lijkt zo te zijn dat de tandheelkundige beroepsgroep vaak een afwachtende houding aanneemt ten aanzien van de behandeling van tandcariës, zeker bij de kleintjes met een melkgebit. Geen klachten, dan wachten, zo lijkt het credo. Het kan inderdaad vrij traumatisch zijn voor een klein kind om ingrijpende tandheelkundige behandelingen te ondergaan. Wat je ziet is dat er dan ook minder gerestaureerd wordt dan 5 tot 10 jaar geleden. Terwijl wij juist denken dat je door het melkgebit wel te restaureren meer zogeheten gebitsbewustzijn kunt creëren, wat weer voordelig kan zijn voor de kwaliteit van het blijvende gebit. Restaureren kan er ook toe leiden dat je voorkómt dat er klachten ontstaan.”
Weet u al iets over het volgende “Signalement Mondzorg” dat eind november 2007 zal verschijnen?
“Nee, niet tot in detail. Wat ik wel weet, is dat de gegevens en resultaten niet alleen kinderen maar ook volwassenen zal betreffen en dat naast ons ook andere onderzoekers van TNO bijvoorbeeld tot dezelfde bevindingen zijn gekomen. Dus, de situatie ten aanzien van cariës is niet veranderd en de verzorgingsgraad is iets afgenomen. Dat is een weerspiegeling van onze resultaten uit Den Haag. ”
Kunt u in dit licht iets zeggen over de gebitstoestand in Nederland over pakweg tien jaar?
“Ja, ik meen dat er geen aanwijzingen zijn dat we grote veranderingen zullen zien. De midden en hogere niveaus zijn stabiel. Daar is ongeveer 80% van de melkgebitten cariësvrij. In de lagere niveaus is nog wel winst te boeken maar daarbij is het probleem hoe je die mensen zou kunnen bereiken als het gaat om voorlichtingsmateriaal en het stimuleren van tandartsbezoek? Wat betreft de gebitstoestand zelf, blijft het gissen. Er zijn negatieve geluiden die vertellen over de grote omvang van de tandheelkundige problematiek; dat er bij 50% veel aantastingen te zien zijn in het melk- en het blijvende gebit. En met veel aantastingen bedoel ik dan 5 tot 10 gaatjes in een melkgebit. Dat schept een grote kloof met de 50% die weinig tot geen last van tandheelkundige problematiek heeft. Aan de andere kant zijn er ook positieve geluiden te beluisteren die zeggen van “Kijk eens wat we allemaal al bereikt hebben!” Tachtig procent doet het heel goed en een klein percentage kunnen we helaas niet bereiken. Zelf zoek ik graag de nuance.”
Heeft u ten slotte nog adviezen voor de tandheelkundige professie, met name op het gebied van voorlichting?
“Ja, ik zou willen adviseren om zich te beperken tot specifieke voorlichting voor moeilijk te bereiken groepen. Daar is nog wel winst te behalen. Dus, niet investeren in collectieve preventie maar je richten op speciale groepen. Daarbij zou je moeten accepteren dat je geen optimaal succes kunt behalen, maar dat je zou moeten kijken welke verbeteringen je kunt realiseren. Het stimuleren van een betere zelf-zorg zou een hoop problemen kunnen voorkomen. Dus maak die vergeten groepen attent op het belang van poetsen, het gebruik van fluoride, het eten van gezonde voeding en het beperken van snoep. Die voorlichting begint al bij de consultatiebureaus. De vraag is wel hoe je die intensief kunt betrekken bij het bereiken van die moeilijk bereikbaren? Wat ik tot slot nog zou willen zeggen is dat we moeten waken voor de teneur dat het altijd maar slechter gaat. Het gaat immers niet om sec de hoeveelheid problemen die je tegenkomt, maar hoe wij er als beroepsgroep mee omgaan…”
Noten
1) Truin GJ, Frencken JE, Mulder J, Kootwijk AJ, De Jong E, Prevalentie van tandcariës, Ned Tijdschr Tandheelkd 114: 335-342 (augustus 2007).
” Van een directe aanleiding was er eigenlijk geen sprake, want ons onderzoek is in feite een driejaarlijkse monitoring van de actuele situatie. In 2008 gaan we dan ook wederom naar Den Haag. In samenspraak met de gemeente en de GGD doen wij ons onderzoek en met de resultaten kunnen deze partners gericht risicovolle groepen benaderen. Wat in 2005 zeker op de achtergrond meespeelde was de media-aandacht voor de veronderstelling dat kindergebitten weer slechter zouden zijn geworden. Aanleiding voor al deze reacties vormde het verschijnen van het rapport “Signalement Mondzorg 2004”’ van het College voor Zorgverzekeringen. De auteurs van het rapport concludeerden dat in 2003 het DMFS-getal (red. Decayed Missing Filled Surfaces) bij de 9- en 21-jarigen verder was afgenomen in vergelijking met 1996-1997 en bij de 15-jarigen gelijk was gebleven. De restauratieve verzorgingsgraag was echter verder afgenomen, waardoor het aantal onbehandelde caviteiten bij de 15- en 21-jarigen was toegenomen. ”
U heeft in uw onderzoek niet alleen gekeken naar cariës maar ook naar de prevalentie van tanderosie bij 6- en 12-jarigen. Wat zijn uw bevindingen?
“Bij cariës zien we zeker een stabilisering, het gaat dus niet slechter maar ook niet echt beter. Dat komt doordat er bij de midden en hogere niveaus nog maar weinig winst is te behalen. Die kinderen poetsen al regelmatig en bezoeken een tandarts. De rest van de kinderen is moeilijk te bereiken. Daar zou je nog wel winst kunnen behalen ten aanzien van cariës, bijvoorbeeld door gerichte poetsvoorlichting e.d. maar de inspanning weegt helaas niet op tegen de resultaten.
Wat erosie betreft, daar zien we bij 20-25% van de kinderen – verspreid over alle milieus – symptomen die duiden op het beginstadium van tanderosie. Als die kinderen ouder worden, dan zouden de symptomen in theorie moeten toenemen, het is immers een onomkeerbaar proces. In het beste geval kun je tanderosie tot staan brengen. Het enige wat je dan ook kunt doen is de betrokkenen attent maken op de oorzaken van tanderosie. Dus opletten op de frequentie waarmee je zuren tot je neemt. Dat kan om frisdrank gaan, maar zeker ook om vruchtensappen of zuur fruit. Overigens blijft dit wel een lastig thema aangezien niet iedereen die veel en vaak zuur nuttigt, ook tanderosie blijkt te ontwikkelen...”
Uit uw studie blijkt verder dat de verzorgingsgraad aanzienlijk is afgenomen, vooral bij de jeugd met een blijvend gebit. Voor de toekomst lijkt dit een zorgwekkende ontwikkeling. Wat is eigenlijk de reden dat er zo weinig gerestaureerd blijkt te worden?
“Het lijkt zo te zijn dat de tandheelkundige beroepsgroep vaak een afwachtende houding aanneemt ten aanzien van de behandeling van tandcariës, zeker bij de kleintjes met een melkgebit. Geen klachten, dan wachten, zo lijkt het credo. Het kan inderdaad vrij traumatisch zijn voor een klein kind om ingrijpende tandheelkundige behandelingen te ondergaan. Wat je ziet is dat er dan ook minder gerestaureerd wordt dan 5 tot 10 jaar geleden. Terwijl wij juist denken dat je door het melkgebit wel te restaureren meer zogeheten gebitsbewustzijn kunt creëren, wat weer voordelig kan zijn voor de kwaliteit van het blijvende gebit. Restaureren kan er ook toe leiden dat je voorkómt dat er klachten ontstaan.”
Weet u al iets over het volgende “Signalement Mondzorg” dat eind november 2007 zal verschijnen?
“Nee, niet tot in detail. Wat ik wel weet, is dat de gegevens en resultaten niet alleen kinderen maar ook volwassenen zal betreffen en dat naast ons ook andere onderzoekers van TNO bijvoorbeeld tot dezelfde bevindingen zijn gekomen. Dus, de situatie ten aanzien van cariës is niet veranderd en de verzorgingsgraad is iets afgenomen. Dat is een weerspiegeling van onze resultaten uit Den Haag. ”
Kunt u in dit licht iets zeggen over de gebitstoestand in Nederland over pakweg tien jaar?
“Ja, ik meen dat er geen aanwijzingen zijn dat we grote veranderingen zullen zien. De midden en hogere niveaus zijn stabiel. Daar is ongeveer 80% van de melkgebitten cariësvrij. In de lagere niveaus is nog wel winst te boeken maar daarbij is het probleem hoe je die mensen zou kunnen bereiken als het gaat om voorlichtingsmateriaal en het stimuleren van tandartsbezoek? Wat betreft de gebitstoestand zelf, blijft het gissen. Er zijn negatieve geluiden die vertellen over de grote omvang van de tandheelkundige problematiek; dat er bij 50% veel aantastingen te zien zijn in het melk- en het blijvende gebit. En met veel aantastingen bedoel ik dan 5 tot 10 gaatjes in een melkgebit. Dat schept een grote kloof met de 50% die weinig tot geen last van tandheelkundige problematiek heeft. Aan de andere kant zijn er ook positieve geluiden te beluisteren die zeggen van “Kijk eens wat we allemaal al bereikt hebben!” Tachtig procent doet het heel goed en een klein percentage kunnen we helaas niet bereiken. Zelf zoek ik graag de nuance.”
Heeft u ten slotte nog adviezen voor de tandheelkundige professie, met name op het gebied van voorlichting?
“Ja, ik zou willen adviseren om zich te beperken tot specifieke voorlichting voor moeilijk te bereiken groepen. Daar is nog wel winst te behalen. Dus, niet investeren in collectieve preventie maar je richten op speciale groepen. Daarbij zou je moeten accepteren dat je geen optimaal succes kunt behalen, maar dat je zou moeten kijken welke verbeteringen je kunt realiseren. Het stimuleren van een betere zelf-zorg zou een hoop problemen kunnen voorkomen. Dus maak die vergeten groepen attent op het belang van poetsen, het gebruik van fluoride, het eten van gezonde voeding en het beperken van snoep. Die voorlichting begint al bij de consultatiebureaus. De vraag is wel hoe je die intensief kunt betrekken bij het bereiken van die moeilijk bereikbaren? Wat ik tot slot nog zou willen zeggen is dat we moeten waken voor de teneur dat het altijd maar slechter gaat. Het gaat immers niet om sec de hoeveelheid problemen die je tegenkomt, maar hoe wij er als beroepsgroep mee omgaan…”
Noten
1) Truin GJ, Frencken JE, Mulder J, Kootwijk AJ, De Jong E, Prevalentie van tandcariës, Ned Tijdschr Tandheelkd 114: 335-342 (augustus 2007).
| lees de samenvatting van "Prevalentie van tandcariës" (pdf / 74 Kb) |


