home
RSS feeds
Kinderen, leefstijl en gewicht | maart 2008

“KOALA levert nieuwe inzichten op en werpt oude zekerheden omver”

Dr. Carel Thijs is overkoepelend coördinator van het KOALA-onderzoek. Vanuit de afdeling Epidemiologie van Universiteit Maastricht is Thijs verantwoordelijk voor de coördinatie en de uitvoering van dit omvangrijke onderzoek. Een onderzoek met veel partners en een looptijd van 19 jaar. De spreekwoordelijke lange adem van het project zal, zo verwacht Thijs, “veel nieuwe inzichten opleveren maar ook oude zekerheden omverwerpen.” Een interview.

Waar staat KOALA voor en kunt u de doelstelling en opzet van dit geboortecohort toelichten?
“KOALA staat voor Kind, Ouder en gezondheid: Aandacht voor Leefwijzen en Aanleg. In het KOALA-onderzoek willen we nagaan wat de oorzaken zijn van allergie, astma en overgewicht bij kinderen en de gevolgen daarvan op latere leeftijd. Dit onderzoeken we in een geboortecohortonderzoek, dat wil zeggen dat een grote groep kinderen vanaf de geboorte wordt gevolgd. Daarbij nemen we herhaalde vragenlijsten af bij de ouders over oorzakelijke en beschermende factoren (zoals het type zuigelingenvoeding: borst- of flesvoeding) en over de ontwikkeling van het kind en ziekte-uitkomsten (allergie, astma en overgewicht). Ook wordt biologische materiaal afgenomen voor laboratoriumonderzoek. Zo is in moedermelk gekeken naar vetzuren die uit de voeding van de moeder in de moedermelk terechtkomen en belangrijk zijn voor de bescherming tegen allergie en astma. Ook hebben we gekeken naar de samenstelling van darmflora in poepmonsters van de kinderen 1 maand na de geboorte. En nemen we antistoffen onder de loep die duiden op allergie in het bloed van de zwangere en de kinderen toen deze 1 en 2 jaar oud waren. We hopen de kinderen verder op te kunnen volgen tot de volwassen leeftijd, aangezien we dan waardevolle kennis kunnen aandragen over de gevolgen van de vroege ontwikkeling van het kind voor de gezondheid op latere leeftijd. Vandaar de lange looptijd van 19 jaar. En ook daarna willen we de deelnemers blijven volgen.”

KOALA is niet alleen in tijd een omvangrijk project, ook in organisatie. Wie zijn de onderzoekspartners en wat is de rol van Universiteit Maastricht in KOALA?
“In het onderzoek wordt samengewerkt met verschillende afdelingen van Universiteit Maastricht en Academisch Ziekenhuis Maastricht, en met andere onderzoeksinstituten, waaronder TNO Kwaliteit van Leven (Leiden/Zeist), het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (Bithoven), het Louis Bolk Instituut (Driebergen), en het Universitair Medisch Centrum Groningen. De afdeling Epidemiologie van Universiteit Maastricht is verantwoordelijk voor de coördinatie en de uitvoering van het onderzoek. Een overkoepelende commissie geeft richting aan het beleid op langere termijn en adviseert over het gebruik van biologisch materiaal. Elk onderzoeks- c.q. deelproject heeft een eigen projectleider en soms ook een eigen begeleidingscommissie.”

Binnen KOALA is een aantal deelprojecten geformuleerd. Welke zijn dit en kunt u heel kort aangeven wat het doel van elk deelproject is?
“Er is eigenlijk een groot aantal deelprojecten en ik beperk me daarom tot de omvangrijkste projecten die de ruggengraat van het KOALA-onderzoek vormen. Drie promotieprojecten zijn inmiddels afgerond, waarbij gebruik werd gemaakt van gegevens van de kinderen tot de leeftijd van 2 jaar.

In het eerste deelonderzoek werd vooral de infrastructuur van het cohort opgebouwd. Gezonde zwangeren die al meededen aan een onderzoek naar bekkenpijn zijn geworven door verloskundigen in Limburg en Noord-Brabant en gaven apart toestemming voor deelname van hun kind aan het KOALA-onderzoek. Daarnaast werd een deel van de onderzoeksgroep specifiek geworven bij mensen met alternatieve leefgewoonten (een kleine 500 moeders van de 2800). De eerste promovendus, Ischa Kummeling, heeft in deze groep gekeken naar verschillende leefwijzen in relatie tot allergie en luchtwegklachten.

De tweede promovendus, John Penders, heeft bij ruim 1000 kinderen poepmonsters verzameld, en heeft met moleculaire technieken de bacteriële samenstelling van de darmflora bepaald. De derde promovendus, Bianca Snijders, heeft bij ruim 300 moeders moedermelk verzameld en gekeken naar het beschermende effect van borstvoeding en immuunfactoren in de moedermelk. Dit drietal is inmiddels gepromoveerd, en het meeste van hun werk is gepubliceerd en heeft veel internationale aandacht gekregen.

In andere projecten wordt de rol van vetzuren in de moedermelk, en van maagdarminfecties bestudeerd bij de bescherming tegen allergie en astma.

Daarnaast doet het KOALA-onderzoek samen met twee andere Nederlandse cohortonderzoeken mee aan een project waarbij de interactie tussen omgevingsfactoren en genetische aanleg wordt bestudeerd op het ontstaan van allergie, eczeem en astma.”

Het deelproject “Leefstijl en Gewicht” is onderwerp van deze nieuwsbrief. Hoe zijn jullie tot dit onderzoek gekomen dat focust op de determinanten van overgewicht bij kinderen? Ofwel, wat was de aanleiding voor KOALA in het algemeen en dit deelproject in het bijzonder?
“Aan de basis van het KOALA-onderzoek lagen vraagstellingen ten grondslag op het gebied van allergie en astma. We zochten daarbij vooral naar verklaringen waarom allergie en astma in de laatste decennia zoveel zijn toegenomen, en vooral naar risicofactoren in de zwangerschap en vroege jeugd. We zijn ook al vrij snel gaan zoeken naar verbreding van dit thema en zagen interessante raakvlakken met overgewicht. Ook daar zie je een toename in de laatste decennia, en is er sprake van risicofactoren in de zwangerschap en vroege jeugd. Zo was ik zelf al bezig met onderzoek naar borstvoeding, zowel in relatie tot allergie en astma als tot groei en overgewicht. Beslissend is een lunchpauzewandeling geweest met mijn collega Stef Kremers van de vakgroep Gezondheidsvoorlichting, waar we ideeën hebben besproken over opvoedingsstijlen en gewoontevorming. Naar aanleiding daarvan hebben we relevante informatie verzameld bij kinderen op tweejarige leeftijd, waarmee een basis is gelegd voor een vervolg. Hier konden onze partners van TNO weer op voortbouwen, en zij hebben er hard aan getrokken om de brug te slaan naar verdere follow-up op de schoolleeftijd in het deelproject “Leefstijl en Gewicht”.”

KOALA is in 2000 van start gegaan en heeft inmiddels zoals gezegd al geleid tot diverse promoties en wetenschappelijke publicaties. Wat zijn naar uw mening de meest in het oog springende bevindingen tot nu toe?
“Een opvallende bevinding van het onderzoek van Ischa Kummeling is dat kinderen die hoofdzakelijk biologische zuivel gebruikten in de eerste levensjaren minder eczeem hadden. Tegelijkertijd vonden we dat bepaalde vetzuren uit zuivelproducten in hogere gehaltes aanwezig zijn in moedermelk wanneer de moeder vooral biologische zuivel nuttigt. Samen ondersteunt dit het vermoeden dat vetzuren in zuivel een rol spelen bij bescherming tegen allergie. Dit zijn we nu verder aan het uitzoeken.

Uit het onderzoek van John Penders is duidelijk geworden dat bepaalde bacteriën in de darmflora die vooral afkomstig zijn uit de ziekenhuisomgeving (en minder vaak gevonden worden na thuisbevalling), een verhoogd risico op allergie met zich meebrengen. We zijn nu aan het kijken welke eigenschappen van deze bacteriën van belang zijn, en hoe de natuurlijke variatie in genetische gevoeligheid van mensen de reactie van het immuunsysteem op deze bacteriën beïnvloedt.

In het onderzoek van Bianca Snijders zijn we toevallig op het spoor gekomen van het belang van combinatievoeding (borstvoeding in combinatie met fles- of bijvoeding) voor het opwekken van orale tolerantie. Orale tolerantie is eigenlijk het tegenovergestelde van allergie: je went aan lichaamsvreemde stoffen in de voeding en in de inademingslucht. Zij vond dat late introductie van koemelkproducten en bijvoeding gepaard ging met een hoger risico op eczeem en allergie, en niet met een lager risico zoals verwacht. We vermoeden nu dat bescherming tegen allergie door borstvoeding deels afhangt van het opwekken van orale tolerantie tegen voedingsmiddelen, die het kind binnenkrijgt tegelijk met immuunfactoren in de moedermelk die tolerantie bevorderen.”

KOALA biedt een schat aan gegevens van kinderen, in feite al vanaf de zwangerschap van de moeder. Zijn er in de toekomst meerdere onderzoeksprojecten te verwachten waarin met deze gegevens gewerkt kan worden?
“Dat is wel onze intentie, maar na de start van al deze projecten heeft het wel een aantal jaren geduurd voordat weer vervolgsubsidies werden binnengehaald om de kinderen verder te volgen. Zo’n vervolgproject is het project “Leefstijl en Gewicht”, dat de basis heeft gelegd voor het volgen van de kinderen op vijfjarige leeftijd en daarna. Inmiddels is een promovendus begonnen met het bestuderen van de opvoedingssituatie in de eerste levensjaren en de ontwikkeling van beweeg- en voedingsgedrag in het gezin.

Het darmflora-project heeft ook een vervolg gekregen, waarbij kinderen op zes- of zevenjarige leeftijd weer opnieuw worden benaderd, onder andere voor het vaststellen van astma. Bij deze opvolgronde hopen we ook de basis te leggen voor verder onderzoek naar gewoontevorming en de rol van de omgeving bij voeding en lichaamsbeweging van kinderen, de oorzaken en gevolgen van overgewicht, en de conditie van het kind. Daarvoor hebben we alweer nieuwe subsidieaanvragen lopen bij verschillende fondsen. Dus we zijn ermee bezig maar het hangt voor een groot deel van de subsidietoekenningen af welke plannen doorgaan.”

Tot slot: wat is naar uw mening de wetenschappelijke waarde van KOALA op het gebied van kinderen & gezondheid? Is met KOALA een wetenschappelijke basis gelegd voor een gerichte aanpak van verschillende gezondheidsproblemen bij kinderen?
“Wat KOALA allemaal gaat opleveren is niet te voorspellen, het is nu eenmaal inherent aan de wetenschap dat je niet weet wat er uitkomt. Wel ben ik er van overtuigd dat het nieuwe inzichten zal opleveren en oude zekerheden omver zal werpen. Zo verwacht ik de komende jaren nieuwe inzichten in de ontwikkeling van orale tolerantie en de rol van borstvoeding en darmflora hierbij. Dat zal mogelijk leiden tot verandering van de richtlijnen voor borstvoeding, de voeding van de moeder en de samenstelling van zuigelingenvoeding. Gezondheidseffecten hiervan kunnen levenslang doorwerken.

Verder is de vraag of het overgewicht bij kinderen van nu nog wel hetzelfde overgewicht is als vroeger en ik verwacht dat we met nieuwe en onvermoede consequenties op latere leeftijd worden geconfronteerd. Suikerziekte bij kinderen is daar misschien het topje van de ijsberg van.

Het omgekeerde geldt misschien ook: nooit eerder was er zoveel aandacht voor preventie en behandeling van matig overgewicht. Misschien zijn de huidige kinderen wel beter af dan vroeger, als het ze lukt om op jonge leeftijd een gezonder voedings- en beweegpatroon aan te wennen en het te handhaven. Het lijkt me bijvoorbeeld beter om vóór de puberteit met gezond leven te beginnen en je gewicht te leren reguleren, dan om op latere leeftijd te jojoën. Juist deze langetermijneffecten maken langlopend cohortonderzoek als KOALA en “Leefstijl en Gewicht” onmisbaar.”