U kunt ook op alfabetische volgorde zoeken

  • Galactose

    Een monosacharide die, gebonden aan glucose, voorkomt in de vorm van lactose in zuivelproducten. 

  • Gemodificeerd zetmeel

    Zetmeel, verkregen uit bijvoorbeeld maïs, tarwe of aardappel, dat bewerkt (gemodificeerd) is zodat het beter kan worden toegepast in levensmiddelen, bijvoorbeeld als verdikkingsmiddel. Niet te verwarren met genetisch gemodificeerde producten. Op het etiket is gemodificeerd zetmeel te herkennen aan de E-nummers 1404 tot en met 1452. 

  • Geraffineerde suiker

    Gezuiverde suiker, zie ook 'raffineren'. 

  • Glucose

    Glucose (synoniemen: druivensuiker, dextrose of bloedsuiker) is een monosacharide en komt voor in veel soorten groente, fruit en in honing. Daarnaast komt glucose van nature voor in zuivel (gebonden aan galactose). Glucose is ook een bouwsteen van veel di-, oligo- en polysachariden. Planten slaan glucose op in de vorm van zetmelen, dieren en mensen in de vorm van glycogeen. Zetmelen en glycogeen bestaan uit vele aaneengeschakelde glucosemoleculen. 

  • Glycogeen

    De vorm waarin glucose wordt opgeslagen in het lichaam van mens en dier met als doel op een later tijdstip energie te kunnen leveren. Glycogeen bestaat uit vele vertakte ketens aaneengeschakelde glucosemoleculen en komt voor in de spieren en in de lever. 

  • Glykemische Index (GI)

    Een inschatting voor de snelheid waarmee de glucoseconcentratie in het bloed stijgt na inname van koolhydraten. De GI van een product wordt als volgt bepaald: de stijging van het bloedglucosegehalte na het eten van 50 gram koolhydraten van een product (A) wordt vergeleken met de stijging van bloedglucosegehalte na het eten van witbrood of glucose (B) door dezelfde persoon. De stijging van het bloedglucosegehalte wordt gedurende 2 uur gevolgd. Vervolgens worden de metingen van A en B met elkaar vergeleken. De verhouding tussen deze 2 metingen bepaalt de GI-waarde ((A/B)*100). Producten met een lage glykemische index (GI) zorgen voor een relatief langzame stijging van het bloedglucosegehalte, voorbeelden zijn appels (GI = 38) en wortels (GI = 47). Producten met een hoge GI zorgen voor een relatief snelle stijging van het bloedglucosegehalte, voorbeelden zijn gebakken aardappels (GI = 85) en witte rijst (GI = 86). De GI van glucose is 100, de GI van fructose is 19 en de GI van sacharose (tafelsuiker) is 68. Bij eten met een hoge GI ligt de GI rond de 70 of hoger. Een lage GI is een GI van minder dan 55.

  • Glykemische Last (GL)

    Ook wel Glykemische Lading (GL) genoemd. De GL is een maat om de stijging van het bloedglucosegehalte na het eten van een bepaald product aan te geven. In tegenstelling tot de Glykemische Index (GI), waarbij 50 gram koolhydraten van product A worden vergeleken met 50 gram koolhydraten van product B, houdt de GL rekening met zowel de hoeveelheid koolhydraten in een product als de hoeveelheid die iemand van een product eet. De GL is als volgt te berekenen: GL= (hoeveelheid koolhydraat in een portie * GI)/100. Een hoge GL is groter of gelijk aan 20; een lage GL is kleiner of gelijk aan 10. Zo heeft een portie gefrituurde aardappels (GI = 85 en portiegrootte = 200 gram) een GL van 34 en een banaan (GI = 51 portiegrootte = 120 gram) een GL van 12.